De ideologische parti-pris van het CPB

H et economische instituut CPB heeft een belangrijke politieke rol met het doorrekenen van partijprogramma’s en regeringsvoorstellen en het doen van beleidsonderzoek. Op deze politieke rol van het CPB zijn twee vormen van kritiek te geven. De eerste – dat het CPB partijen zou bevoordelen – is mijns inziens ongegrond. De tweede – dat het CPB een ideologische parti-pris heeft – is dat niet. In twee stellingen wordt dit nader toegelicht.

Stelling 1: Het CPB is niet partijpolitiek vooringenomen
Strikt genomen kan deze stelling nooit bewezen worden, maar er is geen enkele aanwijzing voor. Daar is niet iedereen het mee eens. Geert Wilders verweet oud-CPB-directeur Coen Teulings diens PvdA-lidmaatschap. Men kan ook wijzen op het VVD-lidmaatschap van oud-directeur Gerrit Zalm. Nu kan men twisten over wenselijkheid van (actief) lidmaatschap van hoge ambtenaren, maar tijdens het directeurschap van Teulings is de PvdA niet als beste uit doorrekeningen van verkiezingsplannen gekomen, zelfs niet als goed (het kan natuurlijk dat de PvdA anders nog slechter had gescoord). Begin 2012 pleitte Teulings in de Financial Times tegen het bezuinigingsbeleid van Rutte I. Teulings heeft deze ideeën evenwel niet ingeslikt toen de PvdA later in Rutte-II exact hetzelfde austerity-beleid uitvoerde als Rutte I, en er de PvdA veel aan gelegen was om austerity acceptabel te maken. Ewald Engelen suggereerde dat de kritische houding van Teulings juist reden was voor Rutte II om Teulings zijn periode niet te verlengen (wat ontkend is).

Stelling 2: Het CPB is ideologisch partijdig
Elk mens en elke groep mensen heeft een wereld-, mens- en maatschappijbeeld. Dat zij zo. Het CPB heeft een maatschappijvisie die aansluit bij de dominante stroming in de economie. Enkele voorbeelden kunnen dit toelichten.

In 2013 bracht het CPB een rapport uit: Solidariteit in de zorg onder druk. De strekking, getuige het persbericht, is als volgt: “Het zorggebruik neemt toe onder alle bevolkingsgroepen, maar vooral bij mensen met een lagere opleiding. Hoger opgeleiden maken minder vaak gebruik van de zorg, terwijl zij steeds meer moeten bijdragen aan de zorgkosten van anderen.” Dit kan best zo zijn. Maar het pensioenstelsel daarentegen, herverdeelt echter van mensen met een laag inkomen naar mensen met een hoog inkomen. De eerste hebben een lagere levensverwachting. Toch schrijft het CPB daar geen rapport over. Kennelijk is dat geen probleem en staat de solidariteit dan niet onder druk. Het planbureau schrijft wel weer rapporten over intergenerationele herverdeling bij pensioenen. Het laat daarbij weg dat pensioenuitvoerders jaarlijks 6 miljard euro kosten – voornamelijk salariskosten van vermogensbeheerders – en dat werkgevers hun juridische bindende toezeggingen niet nakomen. Jong en oud zijn beiden slachtoffer van nalatige werkgevers en dure vermogensbeheerders.

In 2013 bracht het CPB een rapport uit over overheidsschuld: Naar een prudent niveau van de overheidsschuld. Het persbericht stelt dat de overheidsschuld sinds 2007 flink gestegen is. Dat is zo, maar wat ontbreekt is de reden: het redden van grote banken, oftewel het nationaliseren van private schulden. Het persbericht vervolgt: “Boven een bepaald niveau kan de schuld de rente opstuwen en een belemmering vormen voor de economische groei.” Dat kan. Wat ook kan, is dat niet publieke schulden maar private schulden het probleem vormen. Sterker, dat was het probleem in 2007 en dat is het nog anno 2014. De private schulden in Nederland – met name hypotheekschulden – zijn extreem hoog, zowel internationaal vergelijkend als historisch. Het leidt tot inkomstenderving voor de overheid (renteaftrek), recessie door vraaguitval, fragiele banken, faillissementen, restschulden, onder water staande huizen en huisuitzettingen. Daar weidt het CPB geen rapport aan.

Dit zijn twee voorbeelden, er zijn nog andere. In een rapport in 2013 (getiteld Een hoger toptarief in de inkomstenbelasting levert geen hogere belastingopbrengst op) stelt het CPB dat hogere topbelastingschijven leiden tot minder overheidsinkomsten. Topverdieners (bankiers, accountants, advocaten) zouden ofwel de belasting ontduiken ofwel minder gaan werken. De tweede aanname is betwistbaar – dergelijke beroepsgroepen gaan niet minder werken. De eerste opmerking is juist – maar belastingontduiking kan geen reden zijn om belasting te verlagen, enkel om deze beter te handhaven.

Ander voorbeeld. Econoom Kleinkecht stelde in zijn afscheidsrede: ”Helaas vertrouwde ons eigen CPB er bij de doorrekening van partijprogramma’s in 2012 op de merites van soepeler ontslag: partijen die voor versoepeling van het ontslagrecht pleitten kregen een ‘bonus’ toegerekend voor wat betreft de groei van de arbeidsproductiviteit.” Of ontslagrechtversoepeling tot een hogere productiviteit leidt is op zijn minst betwistbaar (en Kleinkecht betwist het in zijn werk en in deze afscheidsrede).

Nog een ander voorbeeld. Ewald Engelen schreef het volgende over het beroemde en beruchte weekinkomen dat de euro ons volgens het CPB rijker zou hebben gemaakt. Dat is niet op eigen onderzoek gebaseerd, maar op onderzoek dat geïnitieerd is door de Europese Commissie. Dat onderzoek gebruikt data tot en met 2005 – dus voor de bankencrisis – en richt zich niet op Nederland. De CPB-conclusie is dan dat “als de 5% ook voor Nederland geldt, dat overeenkomt met ongeveer één extra weekloon”. Waarom is de conclusie hier niet: als het niet voor Nederland geldt, dan zijn er geen economische voordelen van de euro? Deductieve als-dan proposities zijn toelaatbaar in de wetenschap, maar hier wordt de grens tussen wetenschap en wensdenken genaderd.

Stel nu eens dat een buitenaards wezen de Nederlandse economie probeert te leren kennen door het lezen van CPB-rapporten. Dan zou het denken dat publieke schulden een groot probleem zijn en private schulden kennelijk niet. Dat het versoepelen van ontslagrecht wenselijk is. Dat belastingontduiking een goede reden is de belasting te verlagen. Dat conclusies uit een rapport gebaseerd op data tot en met 2005 iets zeggen over de eurocrisis in 2010. Dat arme mensen geld kosten – en dat rijke mensen dat vervelend vinden.

Kortom, het zou denken dat arme mensen, de overheid en inflexibele arbeidsmarkten de economische problemen zijn. Dat is op zijn best wetenschap gebaseerd op discutabele aannames (in de letterlijke zin: aannames waarover gediscussieerd kan en moet worden) en op zijn slechtst een wereldbeeld dat zich voordoet als wetenschap.

Literatuur
A. Kleinkecht (2013), afscheidsrede ‘Een Erfenis van Schumpeter’.
E. Engelen (2014), Zijn we door de euro echt een weeksalaris rijker geworden, de Correspondent.

 

Tags: , , , , , , ,

Over David Hollanders

David Hollanders is als post-doc verbonden aan het Amsterdams Instituut voor Arbeidsstudies (AIAS). Hij schrijft regelmatig over pensioenen en banken.

Nog geen reacties.

Reageer