Nederlandse overheid steunt kapitaal ten koste van arbeid

H et beleid van de Nederlandse regering in de afgelopen decennia en tijdens de crisis kan volledig begrepen worden als het steunen van mensen met financieel vermogen ten nadele van mensen die voor hun inkomen zijn aangewezen op een baan. Dat is de kern, de rest is bijzaak. Vermogen wordt namelijk en minder belast en beter beschermd dan arbeid. Concreet betekent dit dat de bankier boven de belastingbetaler prevaleert, vermogensbescherming boven werkgelegenheid, grootbedrijven boven kleine luyden. In de woorden van econoom Thomas Piketty, zijn er in de ontwikkelde landen “political regimes that objectively favor private capital”. En zo ook is het in Nederland.

Nu, er zijn slechts twee manieren om inkomen te verwerven: vermogensbezit en verkoop van arbeid. Er is daarbij een directe belangentegenstelling tussen mensen met vermogen (ook wel financieel kapitaal) en mensen die afhankelijk zijn van het hebben van werk (menselijk kapitaal). Economisch is de tegenstelling evident. Lagere arbeidskosten – ofwel lager rendement op de productiefactor arbeid – komen direct ten goede aan bedrijfswinsten (ofwel het rendement op productiefactor kapitaal). Politiek is het belangenconflict niet minder aanwezig. Het redden van banken sinds 2008 wordt gefinancierd door belastingheffing op arbeid. Ontslagrechtversoepeling – somtijds genoemd arbeidsmarktflexibilisering – geeft werkgevers meer onderhandelingsmacht. Topsectorenbeleid – overheidswege gefinancierd – maakt dat bedrijven minder uit hoeven te geven aan onderzoek en ontwikkeling. Pensioenhervormingen komen steeds neer op verschuiving van risico’s van werkgever naar werknemers. Economische hausses kunnen het belangenconflict tijdelijk minder doen knellen, maar nimmer oplossen, zoals ook weer blijkt tijdens de huidige recessie, waarin banken gered en burgers werkloos worden.

Wat de overheid ontvangt van kapitaal en arbeid

De belangrijkste politiek-economische ontwikkeling in de 21e eeuw is dat kapitaal steeds minder belasting afdraagt aan de staat. Figuur 1 toont de ontwikkeling van de inkomsten uit loonbelasting en vennootschapsbelasting als percentage van de totale belasting op inkomen in afwijking van de bijdrage in 2000. Het aandeel van de niet getoonde dividendbelasting is in deze periode ook gedaald (gelijk aan een daling van 2.3% procentpunt van de inkomsten uit belasting op inkomen). De afname van de bijdrage van bedrijven (met 17.6 procentpunt) en aandeelhouders (2.3) wordt precies gecompenseerd door de toename van inkomsten uit loonbelasting (20.6 procentpunt). Kortom, de belastingdruk op inkomen is niet zozeer veranderd onder de Paarse en opvolgende kabinetten, maar is vooral verschoven van bedrijven en aandeelhouders naar werkenden.

Figuur 1
Figuur 1

Deze ontwikkeling is een direct gevolg van politieke besluiten. Inkomen uit arbeid wordt zwaarder belast (30% in de eerste schijf, 52% in derde schijf) dan bedrijfswinsten (20% in eerste schijf, 25% in tweede schijf). Daarnaast zijn er voor bedrijven allerhande aftrekposten. In bijzonder kunnen bedrijven rentebetalingen als “kostenpost” aftrekken. Dit is in bijzonder lucratief voor banken die voor 97% schuld gefinancierd zijn (en dat kunnen zijn vanwege de overheidsgarantie). Er is ook een aftrekpost op de loonbelasting, maar deze wordt voornamelijk gevormd door de hypotheekrenteaftrek. Oftewel, er wordt minder belasting op arbeid geheven naarmate men meer vermogen bezit. Vermogensbezit – tenminste als deze schuld gefinancierd wordt – wordt dus fiscaal aangemoedigd. Dit staat in contrast met studieschulden, waarbij de rente niet aftrekbaar is. Investeringen in menselijk kapitaal – zelfs als die noodzakelijk zijn door afname van studiebeurzen – worden dus veel zwaarder belast dan investeringen in financieel kapitaal.

Daar komt bij dat de overheid z.g. fiscal rulings heeft met buitenlandse multinationals, waarin de fiscus speciale afspraken maakt met bedrijven, waardoor deze minder belasting betalen. Deze rulings – gesloten door de overheid namens de burger met private bedrijven – zijn geheim voor diezelfde burger, dus de omvang van de belastingkortingen zijn niet bekend. De omstandigheid dat ze geheim zijn, doet evenwel het vermoeden postvatten dat die giften niet gering zijn. Terzijde zij vermeld dat Nederland via belastingverdragen belastingontduiking door multinationals in andere landen faciliteert. Ook in Nederland ontduiken grote bedrijven overigens belasting, ING bijvoorbeeld via de z.g. Zwitserlandroute, maar de overheid moedigt dit officieel niet aan.

Wat de overheid doet voor kapitaal en arbeid

Bovenstaande betreft de fiscale bijdrage van menselijk en financieel kapitaal. Omgekeerd draagt de overheid ook bij aan bescherming van kapitaal en arbeid. De overheid grijpt daarbij actief in om financieel kapitaal te beschermen maar grijpt niet actief in om menselijk kapitaal te beschermen. De reddingen van ABN AMRO, ING en SNS Reaal – als ook de steun aan Aegon en NIB Capital – hebben dit manifest doen worden. De toename van de staatsschuld sinds 2007 – van 45.3% in 2007 naar 73.5% in 2013 – is het directe gevolg van vermogensbescherming (het redden van banken).

Daar blijft het niet bij. Doordat banken gered worden door de belastingbetaler, kunnen zij goedkoper lenen dan andere bedrijven (die ironisch genoeg bij diezelfde banken lenen). Deze jaarlijkse subsidie wordt door SOMO geschat op 4.1-12.3 miljard euro (zie R. van Tilburg (2012), het Financiële Overgewicht van Nederland). Uitgaande van de middelste waarde van 8.2 miljard, komt dat neer op 1.37% BBP. Daar komt overigens bij dat banken goedkoop kunnen lenen bij de ECB (en dit vervolgens uitlenen tegen een hogere rente aan huishoudens en overheid, onder garantie van diezelfde overheid).

De bankreddingen hebben geleid tot hogere overheidsschuld en – via vraaguitval – geleid tot werkloosheid. Die reddingen worden evenwel gefinancierd door bezuinigingen op de verzorgingsstaat, bedoeld ter bescherming van arbeid. Zo wordt er de afgelopen decennia steeds minder uitgegeven aan WW en bijstand en is de impliciete subsidie aan banken in 2009 – het laatste jaar waarvoor OECD-gegevens beschikbaar zijn – hoger dan steun bij werkloosheid. Figuur 2 illustreert dit.

Figuur 2
figuur2hollanders

Tot slot

Bedrijven en vermogenden dragen steeds minder bij aan de overheid. Dat is op zichzelf al kwestieus, daar het directe gevolg is dat belasting op arbeid toeneemt. Daarnaast is er een inconsistentie in het overheidsbeleid. Terwijl kapitaal steeds minder bijdraagt aan de overheid, wordt kapitaal steeds beter beschermd. Deze combinatie is opmerkelijk. De verhoogde overheidsschuld sinds 2007 is direct gevolg van het redden van banken en bankiers maar wordt nu betaald door belastingen te verhogen op arbeid en door bezuinigingen die vooral neerslaan bij mensen die van menselijk kapitaal afhankelijk zijn – zorg, onderwijs en cultuur. Het topsectorenbeleid – om iets te noemen – wordt daarentegen uitgebreid. Dat is meer dan opmerkelijk, dat is pervers.

Tags: , , , , , , ,

Over David Hollanders

David Hollanders is als post-doc verbonden aan business school TiasNimbas en het Amsterdams Instituut voor Arbeidsstudies (AIAS). Hij schrijft regelmatig over pensioenen en banken.

Nog geen reacties.

Reageer