Waarom wij lak hebben aan klimaatverandering

W aarom hebben we zo laat en inadequaat ingegrepen toen bleek dat de mensheid een rampzalige klimaatverandering in gang had gezet? Waarschijnlijk omdat dat woord –rampzalig – te groot voor ons is en vraagt om aanhalingstekens en ironie. Zadie Smith treurt in haar prachtige korte essay Elegy for a Country’s Seasons over alles wat door de weermetamorfose van de laatste jaren verloren is gegaan: de stormen die beperkt bleven tot het voor- en najaar, de eerste warme dagen die pas in mei kwamen, en in december de hoop op een witte Kerst in plaats van de angst voor een overstroming. Zadie Smith stelt de vraag naar de traagheid van onze verontwaardiging en actie. Ze oppert dat we er simpelweg van uit zijn gegaan dat het klimaat niet kón veranderen, hoewel we natuurlijk wisten dat we in staat waren flink wat schade toe te brengen. We konden ons niet inbeelden dat we het ritme en de gang van de natuur zelf zouden ontwrichten, schrijft Smith, ‘just as a child who has screamed all day at her father still does not expect to see him lie down on the kitchen floor and weep’.

Waarom? Als dat een schuldvraag is, moeten we niet meteen wijzen naar de mijnbouw- en olielobby die er de afgelopen decennia alles aan gedaan heeft om het overvloedige wetenschappelijke bewijs in twijfel te trekken. Wat die bedrijven en hun advocaten doen is niet meer dan mist verspreiden. Met wat leeswerk verkrijg je snel een overzicht over wat er te verwachten valt. Te weten: een opwarming van de aarde die het dubbele bedraagt van een ooit als penibel beschouwde twee graden Celsius; een stijgende zeespiegel, verdwijnende eilandengroepen, verplaatste steden, ondergelopen kustgebieden; de toename van verwoestende orkanen; in Noord-Europa en Rusland wat bevroren gronden die beschikbaar komen voor landbouw; grote perioden van droogte afgewisseld met massale overstromingen; het gevaar van ontsnappend methaangas uit bevroren toendra’s, waardoor de opwarming in een onoverzienbare versnelling kan komen.

Allemaal allang bekend, wie het leest krijgt onbewust de neiging zo’n opsomming verveeld weg te swipen. De wetenschappelijke discussie gaat tegenwoordig over de economische kosten van de komende ramp, wiskundig wapengekletter. En zeker ook, nadat is gebleken dat de reductie van CO2-uitstoot (de transformatie naar duurzame energie) te langzaam gaat, over de vraag met welke technieken de huidige opwarming kan worden afgeremd. Door opslag bijvoorbeeld, maar ook met behulp van technieken die het zonlicht zouden moeten weerkaatsen opdat het op aarde wat koeler wordt. Denk aan grote spiegels in de ruimte en het massaal spuiten van sulfaat in de stratosfeer. Geen sciencefiction, helaas.

Dat ik pas onlangs de moeite nam om me überhaupt van deze feiten op de hoogte te stellen, is te danken aan de Nederlandse klimaateconoom Richard Tol. Hij nam afstand van de beleidsaanbevelingen van het klimaatpanel van de Verenigde Naties (IPCC), het instituut waarvoor hij werkzaam is. Hij vond die aanbevelingen ‘alarmistisch’. Al te pessimistische waarschuwingen zouden contraproductief werken; we konden beter geloof hechten aan het aanpassingsvermogen van de mens. Een monter uitgangspunt, in The Financial Times legde Tol uit wat hij bedoelde. Een land als Bangladesh moest maar een voorbeeld nemen aan het arme kleine Nederland, dat al in de jaren vijftig van de vorige eeuw met succes een watersnood had overwonnen!

Als zulke argumenten – beste Syriërs, wordt als Nederland en sluit vrede, dat hebben wij in 1830 ook met de Belgen gedaan – gelden als teken van gezond verstand, moet je je pas echt zorgen gaan maken. Zeker toen Simon Kalf in een reactie (NRC, 8 april) stelde dat de klimaateconoom zelf blijk geeft van een pessimistisch wereldbeeld. Tol had namelijk geschreven dat het vijftig tot honderd jaar zou duren om te komen tot een koolstofvrije economie – een bij uitstek defaitistische stelling. Want de winning van overgebleven fossiele brandstoffen wordt met het jaar duurder; het is dus van levensbelang, legde Kalf uit, de miljarden die in het bovenhalen van vervuilende brandstoffen gepompt wordt, het komende decennium te investeren in onderzoek naar alternatieve energiebronnen. Moeilijkheid: het gaat om gigantisch veel geld en dus macht – van zowel multinationals als wereldleiders.

De ‘alarmistische toon’ vond ik overigens niet meteen terug in het droge proza van het IPCC-beleidsstuk. Het oordeel ‘alarmistisch’ is wat dat betreft het meest alarmerend – alsmede de gretigheid waarmee dat woord vervolgens opgepikt werd in de pers. Nota bene Tol zelf oordeelde een jaar geleden nog in een opiniebijdrage in het Financieel Dagblad dat alle onzekerheden die het veranderende klimaat met zich meebrengt juist tot verregaande maatregelen nopen.

Waarom wilde ik niets van die klimaatsverandering weten?  Zadie Smith wijst op een gebrek aan verbeeldingskracht, maar het zal ook mijn afkomst wezen. Net als Richard Tol kom ik uit Nederland en ben opgegroeid met verhalen over de Watersnoodramp en de heroïsche Deltawerken; er is altijd wel een oplossing voor elk milieukundig vraagstuk te vinden. Hoe vormend was niet Jan Terlouws Oosterschelde; Windkracht 10, waarin uiteindelijk  het compromis tussen veiligheid en behoud van de natuur gevonden wordt?

In Nederland zelf heerst een lutherse mentaliteit – we moeten elk op onze eigen manier bijdragen aan een goede wereld. Verbeter de wereld, begin bij jezelf. En doen we met ons groenestroomabonnement, onze elektrische auto en wat windmolenparken voor de kust niet al genoeg? Maar de opwarming betreft de aarde, niet alleen Nederland. Het gaat in de allereerste plaats om wat landen als China, Japan, de Verenigde Staten voor maatregelen nemen; en hoewel China fors investeert in alternatieve energiebronnen, blijven door de groeiende economie (alle telefoons en tablets die hier niet zijn aan te slepen) de kolencentrales draaien. Je kunt lak hebben aan de klimaatverandering, maar die houd je daardoor nog niet tegen.

————-

Deze tekst verscheen eerder op de website van het literair tijdschrift Tirade.

Tags: ,

Daniël Rovers is schrijver van de essaybundels 'Bunzing' en 'De figuur in het tapijt' en de romans 'Elf' en 'Walter'. Met Iannis Goerlant vertaalde hij 'De bleke koning' van David Foster Wallace. Op 4 mei jongstleden verscheen zijn bundel (anti)reisverhalen getiteld 'De zon is het probleem niet'.

Nog geen reacties.

Reageer