Over P.F. Thomése en Multatuli

S chrijver Frans Thomése stelde in Rotterdam op 23 april j.l. tijdens een avond over ironie het volgende over Max Havelaar van Multatuli: “zijn eigen stoepje wordt daar schoongeveegd, want hij had een corruptieprobleem, zal ik maar zeggen, in Lebak en hij wou ook zichzelf vrijpleiten”. Deze bewering is onjuist en draagt niet bij aan het historisch besef.

Op Lebak, het decor van Max Havelaar, had Multatuli niet te maken met een “corruptiezaak” of iets dat daar op leek. Integendeel, hij klaagde nu juist de corruptie en ‘knevelary’ aan. Voor- en tegenstanders verschillen nog tot op heden (soms op hoge toon) van mening over de vraag of zijn wijze van aanklagen politiek opportuun en rechtens juist was. Jurist Tom Phijffer stelt in Het gelijk van Multatuli dat dit laatste het geval is.

Waar Thomése waarschijnlijk op doelt (ik speculeer) is het zogenaamde kastekort in Natal, waar Eduard Douwes Dekker, als ook diens alter ego Max Havelaar, kontroleur was. Dit kastekort is uitgebreid beschreven in zowel de roman Max Havelaar als, bijvoorbeeld, in de biografie over Multatuli van Dik van der Meulen. In Max Havelaar tekent Stern op: “het een jong mens, die liever te paard zat dan dat hy geld telde of kasboeken byhield, niet kwalyk nemen kon dat alles niet zo ordelyk en geregeld ging als men zou kunnen vorderen van een Amsterdamsen boekhouder die niet anders te doen heeft”. Kortom, op romanniveau erkent Multatuli het kastekort en motiveert (of liever: laat Stern motiveren) dit door erop te wijzen dat hij zich bezig had te houden met opstanden en oorlogen. Die oorlogen waren overigens niet zozeer tegen Nederland gericht als wel gaande tussen verschillende Indische hoofden.

Van der Meulen komt tot soortgelijke conclusies. De geldelijke en materiele verantwoording waren niet op orde en de klachten daarover waren derhalve “niet zonder grond”. Het is evenwel (nog altijd volgens Van der Meulen) aannemelijk dat Douwes Dekker vooral overgeplaatst is omdat hij zijn meerdere ‘kontrarierde’, oftewel tegensprak. Belangrijk is het vooral te beseffen dat het kastekort niets met corruptie te maken had.

Het is overigens wel zo dat Multatuli (toen nog Douwes Dekker) zich literair heeft willen revancheren voor het kastekort. Hij schreef daartoe in 1844 het toneelstuk De eerloze (later De bruid daarboven geheten). Met Max Havelaar heeft dit nu juist niets te maken. De Natal-zaak was in 1859 (16 jaar na dato) allang afgedaan – juridisch en anderszins. Het ging Multatuli om de Lebak-zaak en om de Lebak-zaak alleen.

Te meer is het kras om Douwes Dekker corruptie aan te wrijven, omdat hij in 1856 eervol ontslag vroeg; korte tijd voordat hij recht kreeg op een pensioen. Hij had eenvoudig kunnen wachten maar deed dit niet; naar hijzelf stelt en ook aannemelijk voorkomt: om principiële redenen. Let wel, in 1856 bestond er nog geen AOW, geen literair fonds en geen AKO literatuurprijs.

Thomése zal Multatuli, neem ik aan, niet in ernst van corruptie hebben willen beschuldigen. Dan blijft het volgende staan. In 1856 was er een, om dat woord over te nemen, corruptiezaak te Lebak. Om dat aan de kaak te stellen gebruikte Multatuli de romanvorm. Multatuli gebruikte een literair middel ter wille van een politiek doel. Men kan dit een geslaagde figuur vinden (Jacob van Lennep vond het bliksems mooi, W.F. Hermans acht Multatuli Nederlands grootste schrijver), of men kan Max Havelaar als geëngageerde roman, gelijk Thomése, mislukt vinden. Maar dat Thomése in de poging deze mening over het voetlicht te brengen Multatuli (te Lebak nog wel) een corruptiezaak in de schoenen schuift, dat is, men zou haast zeggen: ironisch.

 

Tags: ,

David Hollanders werkt bij de Alternatieve rekenkamer van de SP en is docent finance aan de Universiteit van Tilburg.

Nog geen reacties.

Reageer