Nederlands individualisme werkt discriminatie in de hand

H et circuleerde al een tijdje in de wandelgangen, maar afgelopen dinsdag kwam het uit: Martin Bosma heeft een nieuw boek geschreven, maar kan er geen uitgever voor vinden. Waarom het boek er niet wil komen is volgens zijn uitgever ‘een zaak tussen uitgever en auteur’, maar vermoedelijk heeft de beslissing met Bosma’s centrale boodschap te maken. Volgens Bosma dreigt Nederland door buitenlanders te worden overgenomen, zoals eerder in Zuid-Afrika met de Afrikaners is gebeurd. Bosma: ‘De Afrikaners van vandaag zijn de Nederlanders van over vijftig of honderd jaar.’

Door de indruk te wekken dat ‘wij’ blanke Nederlanders in de toekomst onder de voet worden gelopen door grote hordes zwarten, overschrijdt Martin Bosma de gevoelige grens tussen cultuur en ras. Dat maakt zijn uitspraak onversneden racistisch: gebaseerd op ras, een blank superioriteitsgevoel en gedragen door het idee dat het in Nederland twee voor twaalf is. Afgezien van dit belangrijke onderscheid, ligt zijn verhaal echter in lijn met dat van de PVV. Vergeet de vergelijking met Zuid-Afrika en vervang ‘zwart’ voor ‘moslim’ en je bent er: Nederland wordt onder de voet gelopen door grote hordes moslims.

Waarom zijn deze discriminerende ideeën – of het nu gaat over ras of over cultuur – zo moeilijk uit te bannen? Twee maanden geleden hadden we nog afgesproken dat met Wilders’ minder-Marokkanenuitspraak een grens was getrokken. Nu lijkt die opnieuw te zijn verlegd. Hoe komt dat? Naar mijn idee valt deze glijdende schaal in ons debat over de multiculturele samenleving vooral te verklaren uit een gebrek aan weerstand. Niet dat Nederlanders te laf zijn om zich tegen Wilders te verzetten. Het probleem zit dieper, namelijk in het feit dat veel Nederlanders de centrale scheidslijn onderschrijven waarop Wilders zich beroept: de scheidslijn tussen ‘ons’ autochtone, moderne, democratische en individualistische Nederlanders, en ‘zij’, de allochtonen met ouderwetse opvattingen en een ondemocratische groepscultuur.

Het idee dat nieuwkomers geen vanzelfsprekende individuen zijn, maar daartoe voor ‘ons’ Nederlanders moeten worden opgevoed, wordt hen eigenlijk al bij aanvang meegegeven. Tijdens inburgeringscursussen moeten cursisten leren over Nederlandse tolerantie en democratische waarden. Tijdens de wettelijk verplichte naturalisatieceremonie, voorwaarde voor het verkrijgen van het Nederlanderschap, dienen migranten beginselen van vrijheid en verantwoordelijkheid te onderschrijven door een ‘verklaring van verbondenheid’ af te leggen: ‘Ik verklaar dat ik de Grondwettelijke orde van het Koninkrijk der Nederlanden, haar vrijheden en rechten respecteer en beloof de plichten die het staatsburgerschap met zich meebrengt getrouw te vervullen.’ En nadien dienen zij zich in het publieke debat aanhoudend als individu te bewijzen, vooral als ze afwijken van de maatschappelijke norm. Hoofddoek om? Word je dan niet onderdrukt? Islamitisch? Ben je dan wel democraat? Tegen Zwarte Piet? Begrijp je dan niet dat wij Nederlanders mensen niet als groep wegzetten?

Het kwalijke aan deze praktijken is niet het idee van individuele vrijheid en verantwoordelijkheid dat hiermee wordt uitgedragen. Het is de zelfgenoegzaamheid die stoort. Zij vormt een van de voornaamste barrières voor de democratische gelijkwaardigheid van autochtonen en allochtonen. Want waar halen ‘wij’ precies het idee vandaan dat wij vrije, zelfstandige individuen zouden zijn die zich boven groepsdieren kunnen stellen? Zijn groepsnormen ons volkomen vreemd? Waarom ben je een groepsdier als je op vrijdag de moskee bezoekt of op zondag ter kerke gaat, maar geldt thuisblijven als teken van zelfstandigheid? Waarom wordt ‘de islam’ vrouwonvriendelijkheid verweten, maar worden Nederlandse feministen gelijktijdig als zeurkousen weggezet? Waarom vraagt niemand zich af of je wel zélf hebt gekozen voor je spijkerbroek, terwijl we die allemaal dragen, maar wordt de zeldzamer hoofddoek gezien als teken van kuddegedrag?

Enkele vragen laten het zien: de grens tussen groep en individu is cultureel bepaald. Of je in onze samenleving als individu geldt, is bovenal afhankelijk van groepsnormen. Dat moet te denken geven. Als wij niet aantoonbaar individualistischer zijn dan zij, wordt de opvoeding van nieuwkomers tot individualisten nogal twijfelachtig. Wat lijkt op een opvoeding tot vrijheid en verantwoordelijkheid, is feitelijk een belerend lesje assimilatie, gebaseerd op het idee dat ‘wij’ als individualisten verder zijn dan ‘zij’. Het opmerkelijke is dat dergelijke lessen sinds een aantal jaren niet alleen aan nieuwkomers, maar ook aan orthodoxe christenen worden meegegeven. De SGP bijvoorbeeld, die gelijkwaardigheid van mannen en vrouwen moet omarmen in weerwil van hun religieuze denkbeelden, op straffe van subsidiekorting. Of het bijzonder onderwijs, dat homo’s voor de klas moet dulden, ook al leidt dit tot gewetensbezwaren.

Is dit soort individualiseringsdrang wel zo verstandig? Ik geloof van niet. Wat lijkt op de verdediging van tolerantie, is ontaard in bevoogdende politiek correctheid. Begrijp me niet verkeerd: de gelijkheid tussen man en vrouw, homo en hetero, gelovige en ongelovige zijn waarden om voor te strijden. Maar laten we dat doen in een gelijkwaardig debat, in plaats van medeburgers op te voeden tot de individualisten die wij zelf niet zijn. Met de ongelijkwaardigheid die daardoor wordt opgeroepen is niemand werkelijk gebaat.

 

Tags: , ,

Bram Mellink is historicus en auteur van Worden zoals wij. Onderwijs en de opkomst van de geïndividualiseerde samenleving sinds 1945, dat verscheen bij uitgeverij Wereldbibliotheek.

Nog geen reacties.

Reageer