Over Badal en het racisme­debat

E en tijdje geleden schreef ik met TENK een stuk over de ‘Marokkanenuitspraken’ van Wilders. We relateerden de uitspraken aan breder levende opvattingen, namelijk het idee dat het de religie en de cultuur is van Marokkaanse Nederlanders die de oorzaak is van sociale problematiek. We stelden dat religie en cultuur, als deze maar statisch en monolithisch genoeg worden opgevat, als synoniem dienen voor afkomst en etniciteit. En dat intellectuelen als Paul Scheffer en Ayaan Hirsi Ali, die sociale problematiek onder etnische minderheden op eenduidige wijze herleiden tot religie of cultuur, bij hebben gedragen aan een klimaat waarin racisme gewoon is geworden.

In het radioprogramma van Theodor Holman reageerde Stephan Sanders nogal gebeten op ons opiniestuk. Wij zouden gevaarlijke ‘semi-marxisten’ zijn, ons stuk een ‘misselijkmakende’ analyse, wij moesten hard bestreden worden, anders dreigde een nieuwe politieke correctheid en meer van dat soort ongein. Volgens Stephan Sanders zouden we zelfs stellen dat Paul Scheffer en Geert Wilders uiteindelijk zouden leiden tot een enkele reis richting een nieuwe Holocaust. Een levendige verbeelding kan Stephan Sanders in ieder geval niet ontzegd worden. Ik begreep werkelijk niet waar dat vandaan kwam, en heb het maar gelaten voor wat het is.

Nu las ik onlangs Badal, de autobiografische en tragische roman die Anil Ramdas schreef voor zijn dood. Daarin is een beschrijving te vinden van de racismeopvatting van Stephan Sanders, die als Henry wordt opgevoerd:

“Henry maakte ooit het onderscheid tussen een zachte en een harde verongelijktheid. De harde verongelijktheid kwam neer op de veronderstelling dat alle blanken in essentie racisten waren. Een blanke samenzwering, die net zo absurd was als de Joodse samenzwering. De harde verongelijktheid van de klassieke anti-racisten moest met hand en tand worden bestreden: ‘Het is paranoïde,’ zei Henry, ‘het is essentialistisch, het gaat uit van een innerlijke slechtheid van de mens en is als zodanig het spiegelbeeld van dat wat het denkt te moeten bestrijden. Klassieke antiracisten zijn in wezen ook racisten en moeten streng worden aangepakt.’ […]

De zachte verongelijktheid was gericht op wat Henry de provinciaalse geborneerdheid van de blanke Nederlander noemde: ‘Het is niet kwaad bedoeld. Het gaat onbewust. Als er een keus gemaakt moet worden tussen een zwarte en een blanke kiest men de blanke, omdat men daar meer vertrouwd mee is. Het is een vorm van risicobeperking, een gebrek aan avontuurlijkheid. Wij zullen door de gevestigde elite minder gauw worden gezien als vanzelfsprekende gesprekspartners. Zelfs als men ons positief bejegent, is het omdat we zo’n leuk exotisch tintje hebben. Zelfs als we worden opgenomen in hun kring, is het niet om onszelf, maar om hen: met ons tonen ze hun wereldsheid, hun onbekrompenheid.’”

Natuurlijk is het fictie en kan ik hier Stephan Sanders niet op vastpinnen. Maar laten we deze beschrijving even voor waar aanhouden, dan zou Stephan Sanders ons zien als de eerste categorie van klassieke antiracisten die bestreden moeten worden. Belangrijk is dat de hier opgevoerde racismeopvatting uitgaat van een breder levende denkwijze in Nederland: er is het werkelijke kwalijke intentionele racisme, en er zijn redelijk onschuldige en onbedoelde vormen van discriminatie en stereotypering, terug te vinden bij de Gordons van deze wereld. In andere woorden: óf racisme is een bewust proces en het kwaad zelve, óf racisme gaat onbewust en is redelijk onschuldig. Dat lijkt me een onhoudbaar onderscheid.

In Badal schrijft Anil Ramdas over het bezoek dat hij en Stephan Sanders midden jaren negentig aflegden aan de recent overleden Britse socioloog Stuart Hall, om deze te interviewen voor televisie. Anil Ramdas zou een serie essays van Hall vertalen en inleiden, met als titel Het Minimale Zelf. Stuart Hall was waarschijnlijk de belangrijkste intellectuele invloed op Anil Ramdas: het is waar zijn interesse voor media-analyse en beeldcultuur vandaan kwam en zijn ideeën over migratie en etniciteit. ‘Ik wou dat ik Stuart Hall was,’ schreef Anil Ramdas toentertijd in een lofzang in de Groene. Voor mij persoonlijk is Stuart Hall eveneens een belangrijk referentiepunt: bij mijn cultuurwetenschappenfaculteit is Hall een van de telkens terugkerende namen in mijn lessen. Het fijne aan Stuart Hall is dat hij zeer geavanceerde ideeën over etniciteit en racisme ontwikkelde. En ondanks de moeite die Ramdas zich getroostte, lijken dat ideeën te zijn die nooit in Nederland zijn aangekomen.

Zo schrijft Hall in Representation (pdf) over de manier waarop er in de tijd van het kolonialisme een ‘archief’ is gevormd van raciale beeldvorming. Racisme zit vervat in historische structuren, in stereotype beelden die over de jaren heen zijn gaan circuleren en onderdeel van onze cultuur zijn gaan vormen. Sporen van de aloude raciale stereotypes zijn nog immer present in onze huidige westerse cultuur en worden vaak op onbewuste wijze gereproduceerd. Denk bijvoorbeeld aan de oude Sjors en Sjimmie cartoons of aan de figuur van Zwarte Piet. Dit is een machtspraktijk want macht bestaat volgens Hall niet alleen uit direct fysiek geweld, maar ook uit symbolisch geweld: de mogelijkheid om de beeldvorming over een ander te bepalen. Hall maakt het onderscheid tussen typering en stereotypering. Typering is bijvoorbeeld een Belgenmop of een grap over de chaotische aard van Italianen. Raciale stereotypering, zo stelt Hall, onderscheidt zich door een maatschappelijke context van machtsongelijkheid. Nederlanders oefenen geen wezenlijke macht uit over Italianen of Belgen. Wel over etnische minderheden in Nederland.

Racisme is dus niet zozeer een individueel maar een maatschappelijk fenomeen. Het kan heel goed onbewust plaatsvinden en zeer problematisch zijn. Of juist bewust plaatsvinden maar redelijk onschuldig zijn. In andere woorden: hoe kwalijk racisme is, is niet enkel afhankelijk van de individuele intentie maar wordt mede bepaald door de maatschappelijke context. In Nederland denkt men nog veel teveel in termen van persoonlijke intentie. Neem dit Volkskrant artikel, waarin gesteld wordt dat Zwarte Piet niet racistisch is, omdat het niet zo bedoeld is:

“Zwarte Piet is toch een belichaming van racisme?
Nee, zo is het niet bedoeld. Zwarte Piet komt midden 19de eeuw bij Sinterklaas uit een boekje van Jan Schenkman. Hij was een vooruitstrevende man en wilde Sinterklaas wat bijzonders meegeven; ook die stoomboot was gloednieuw. In die tijd hadden we nog maar weinig zwarte mensen in Nederland en was dat speciaal. Schenkman wilde absoluut niet racistisch zijn.”

Hall zou hier op antwoorden dat racisme in die tijd ingebed was in de sociale verhoudingen, in de relatie met Suriname, in het slavernijverleden en de manier waarop dat onderdeel was van de Nederlandse identiteit als koloniale grootmacht, gelegitimeerd vanuit de superioriteit van de blanke westerse cultuur. In andere woorden: de betekenis van Zwarte Piet wordt niet bepaald door de intentie van Schenkman. Hij wordt bepaald door de toen geldende sociale verhoudingen, waarin racisme de gewoonste zaak van de wereld was. Een realiteit waarnaar Zwarte Piet nog immer refereert.

“Zwarten mochten alleen oordelen over zwarten”
Verder is er veel in Badal te vinden over de positie van waaruit migranten en zwarte intellectuelen kunnen spreken. Zoals gezegd, Badal is een droevige roman, waarin Anil Ramdas met bijtende zelfkritiek beschrijft hoe hij langzaam het spoor bijster raakt en zich terugtrekt in isolement. Vooral het contrast met zijn eigen verleden is pregnant.

In de inleiding die Anil Ramdas schreef bij Het Minimale Zelf (1991) vinden we een ambitieuze en voortvarende Ramdas die met veel bombarie de vertaalde essays van Hall introduceert, van postmodernisme tot de opkomst van nieuwrechts, van semiotiek tot ideologietheorie, van politieke economie tot mediastudies. Stuart Hall kenmerkte zich volgens Anil Ramdas door zijn “pleidooi voor de positie van de relatieve buitenstaander, die beter dan de insider in staat was raadselachtigheden op te merken: ‘fish have no concept of water’.”

Dit zelfvertrouwen dat de relatieve buitenstaander iets wezenlijks en universeels te zeggen heeft, verbleekt in Badal. “[M]isschien was het potsierlijk dat hij als allochtoon iets dacht te mogen beweren over de aard van de blanke mens. Blanken mochten oordelen over blanken. En over zwarten. Zwarten mochten alleen oordelen over zwarten.”

Terugkijkend schrijft Anil Ramdas in Badal over diezelfde essaybundel van Hall als “een verzameling essays over hoogmoed en zelfmedelijden in reggaeliedjes, de lichaamstaal van zwarte crimineeltjes, de kledingstijlen van Aziatische meisjes. Maar ook persoonlijke verhalen, over waarom hij naar Engeland emigreerde: niet zozeer omdat hij wilde studeren, maar vooral omdat hij weg wilde bij zijn moeder.” We zien de intellectuele aspiraties van Anil Ramdas ineenkrimpen aan de hand van de veranderende beschrijving van een essaybundel: de zwarte intellectueel spreekt niet meer over universele thema’s, enkel de particuliere ervaringen van migranten.

Een vergelijkbare ontwikkeling doet zich voor op het gebied van identiteit. In de introductie van Het Minimale Zelf schrijft Anil Ramdas: “De zwarte identiteit is geen erkenning van wat men altijd al geweest is, maar een ontdekking van iets nieuws, het bekijken van jezelf op een andere manier. Niet het ‘ware zelf’ maar, zoals gezegd, een nieuwe fictie.”

Vergelijk dat eens met het volgende citaat uit Badal:

“Waarom was het voor migranten zo moeilijk om nieuwe werelden te ontdekken, om nieuwe en grappige werkelijkheden te laten zien? Waarom waren er zo weinig Rushdies en Naipauls? Omdat migranten het maar druk hadden met hun oude werelden, met hun verledens, en daardoor aan een verrassende toekomst niet toe kwamen? Waarom was het zo lastig om een migrant tot een romanpersonage te maken dat ook het inlevingsvermogen van niet-migranten kon afdwingen? Migranten hadden alleen maar een afkomst, scheen het. De blanke schrijvers hadden de toekomst.”

De voorwaarde voor de gekleurde intellectueel om te kunnen spreken in Nederland, zo beschrijft Ramdas cynisch aan de hand van een redactievergadering bij de Groene Amsterdammer, is dat deze allereerst zijn eigen nest bevuilt:

“Met spanning wachtte hij de eerstvolgende redactievergadering op de woensdagmiddag af. Hoe zouden ze reageren op zijn Hindoestanen essay?” […] Langzaam druppelden de redacteuren het redactielokaal binnen. Sommigen liepen weer de deur uit om koffie te halen en Henry, zijn lievelingsschrijver, bladerde rustig door de krant, zonder een duidelijke uitdrukking op zijn gezicht. Vooral zijn oordeel wilde Badal horen, want zijn manier van kijken naar de wereld bewonderde hij het meest. […]
‘Geestig, zeer geestig,’ zei de hoofdredacteur.
En Henry? Die zei: ‘Genadeloos opgeschreven. Ik dacht eerst dat het misschien te particulier zou zijn, maar het is een universele weergave van nestbevuiling.’
‘En daar zijn we, zoals jullie weten, erg voor,’ zei de hoofdredacteur.”

Vervolgens beschrijft Ramdas zijn eigen woede omdat hij eigenlijk van mening is dat het bespotten van zijn eigen gemeenschap nergens toe leidt, omdat zijn lezers geen Hindoestanen maar blanke hoogopgeleide Nederlanders zijn (veel hiervan is van toepassing op Ayaan Hirsi Ali en het islamdebat van het afgelopen decennium, dat grotendeels over de hoofden van moslims is gevoerd, in naam van de ‘dialoog’ met moslims):

“Het was woede. Woede die voortkwam uit schuldbesef, omdat hij zelf ook niet helemaal vond dat het geoorloofd was om als Hindoestaan Hindoestanen te bespotten. En onbeschaamd te genieten van de bijval van mensen die hij zo bewonderde: de blanke intellectuelen, voor wie nestbevuiling de voorwaarde was van het allerhoogste goed: vrijheid, zelfstandigheid. Je niet beklemd voelen door mensen wier uiterlijk en wier gewoonten je deelde. Dat was toch maar toeval, hij had in theorie ook een Eskimo kunnen zijn, of een Congolees. Maar dat was theorie. De onaangename realiteit was dat hij zich wel degelijk gehinderd voelde door de dwang van de gemeenschap, ook al dwong die gemeenschap hem voorlopig nergens toe. Hij zou het aan zijn hoofdredacteur moeten vragen: je lezers kastijden, akkoord, maar wat als degenen die je kastijdt niet je lezers zijn? Wat als ze niet weten wat je over ze zegt, hoe mooi je het ook formuleert? Wat als zelfkritiek niet veel meer was dan veredelde roddel?”

Badal is een roman over de belofte van de eerste generatie van “jonge gekleurde intellectuelen” die hun stem probeerden te vinden in “een blanke wereld”. Ramdas zou later in een interview zeggen dat “Badal en zijn generatiegenoten zijn mislukt omdat zij de grote beschavingsidealen die ze in de schoot geworpen kregen, hebben verkwanseld.” Dat is waarschijnlijk een te hard oordeel. In ieder geval is het een belofte die nog niet is ingelost.

Tags: , , ,

Merijn Oudenampsen is politicoloog en socioloog. Hij is verbonden aan de universiteit van Tilburg waar hij een promotieonderzoek doet naar politiek populisme en de ruk naar rechts in de Nederlandse politiek. Zijn website is: merijnoudenampsen.org

Nog geen reacties.

Reageer