Mijn fascisme (enkele waarheden)

H et essay ‘Mijn fascisme’, hieronder te vinden in sterk ingekorte vorm, staat in de bundel Alles is slecht, dat op 1 mei verschijnt bij Leesmagazijn. Kirill Medvedev behoort samen met de feministische punkgroep Pussy Riot en het kunstenaarscollectief Chto Delat uit Sint-Petersburg tot de jongere generatie schrijvers en kunstenaars in Rusland die zich verzet tegen het regime van Vladimir Poetin.

Uit protest tegen het corrupte en ingedutte literaire milieu in zijn land kondigde Medvedev in 2003 het einde aan van zijn literaire carrière. Een jaar later gaf hij ook zijn copyright op, zodat tegenwoordig alleen nog piraatedities van zijn werk kunnen verschijnen.

Een paar jaar geleden begon Medvedev in Moskou een eigen uitgeverij, die voornamelijk door hemzelf verzorgde vertalingen van westerse marxistische auteurs als Pier Paolo Pasolini, Herbert Marcuse en Alain Badiou publiceert. Daarnaast treedt hij regelmatig op met zijn band Arkady Kots, vernoemd naar de Russische dichter die de Internationale in het Russisch vertaalde, waarmee hij teksten van de bekende Russische ‘kunst-terrorist’ Aleksandr Brener ten gehore brengt.

Alles is slecht bevat een selectie uit de gedichten, essays en acties die de Russische dichter en activist Kirill Medvedev het afgelopen decennium schreef. Over zijn afscheid – uit protest – van de literaire wereld, de oprechte blijdschap bij het vinden van een potje paté in een supermarkt, tot politieke overdenkingen tijdens een actie voor het behoud van het Chimkibos bij Moskou – de rauwe, alledaagse, directe, soms absurde of grappige maar altijd radicaal oprechte gedichten van Medvedev schuwen geen enkel onderwerp, en deinzen er niet voor terug stelling te nemen.

In zijn essays, waarin hij harde, maar in zijn ogen onvermijdelijke conclusies trekt uit de crisis van de post-Sovjetintelligentsia en de staat van de huidige machthebbers in Rusland, doet hij net als in zijn gedichten een krachtig beroep op de verbeelding, de rechtvaardigheid en de waarheid als tegengif tegen leugens en onderdrukking. Steeds rekent hij hierbij af met het idee dat literatuur een privéaangelegenheid is, die niet in staat is een maatschappelijke of politieke ruimte op te eisen.

Medvedev bewijst met deze bundel het tegendeel. Alles is slecht is een onontkoombaar boek voor iedereen die wil weten waarom poëzie ertoe doet, geïnteresseerd is in het Rusland van Poetin, Pussy Riot en Navalny, en radicale antwoorden zoekt op de vragen van deze tijd.

Ter gelegenheid van de publicatie komt Kirill Medvedev naar Nederland en België:

Presentatie Paradiso 5 mei:
http://www.paradiso.nl/web/Agenda-Item/Kirill-Medvedev-Alles-is-Slecht.htm

Op 9 mei in het kader van de Russenreeks in Perdu:
https://www.facebook.com/events/1423866624534991/?fref=ts

Kirill Medvedev. Alles is slechtLeesmagazijn. ca. 300 p. ISBN 9789491717086. € 19,95. Vertaling uit het Russisch door Pieter Boulogne. Met een inleiding door Keith Gessen, vertaald uit het Engels door Menno Grootveld. Eindredactie door Frank Keizer. Omslag ontworpen door Connie Nijman.

\\\

Mijn fascisme (enkele waarheden)
Kirill Medvedev

Ik behoor tot de mensen die ‘groen achter de oren’ genoemd worden. Ik doe geen vlieg kwaad, aan mijn gezicht zie je dat ik het goed bedoel, ik ben inschikkelijk en besluiteloos. Ik ga fatsoenlijk om met mijn medemensen. Ik drink zelden alcohol, leid geen losbandig seksleven en heb de laatste vijf jaar geen drugs gebruikt. Maar ik loop over van idealisme. En dat is veel gevaarlijker dan drugs, alcohol, satanisme, kannibalisme, coprofagie en necrofilie. Ik hoop dat jullie al het bovenstaande verkiezen boven mijn boeken.

Het esthetische klimaat in ons land is afschuwelijk geworden. Het nationale cultuurbewustzijn is een stinkend moeras, half Sovjet en half bourgeois, waarin de lijken van Poesjkin, Dostojevski, Jozef Stalin, Alla Poegatsjova en Jezus Christus liggen te ontbinden. Rusland lijkt op een rottende bal, een misbaksel, van boven bedekt met bladgoud en van binnen propvol afval: pulpvoedsel, pulpideologie, pulpcultuur; de brokstukken van religie, de brokstukken van ons Sovjetwereldje, de brokstukken van ons dode imperium. Dat alles puilt aan alle kanten uit deze bolstaande bal, die aan het rollen is geslagen, steeds sneller en sneller. Klaar om in stukken uiteen te spatten of anders wie in zijn weg loopt plat te walsen.

Ik ben er niet op uit om grove analogieën te trekken tussen de politiek en de cultuur, en evenmin om hapklare oordelen te vellen over cultuur en politiek. Aan die oordelen valt echter onmogelijk te ontkomen, en dus volgen ze hier. De federale parlementsverkiezingen van december 2003 hebben de toestand bestendigd waarin het culturele en intellectuele leven van Rusland sinds de eeuwwisseling verzeild is geraakt.[1] Omstreeks die tijd hebben nationalisten, uitgesproken conservatieven en reactionairen elkaar gevonden. Wat hen verbond was hun afschuw voor het gecorrumpeerde (hier in de betekenis van ‘verdorven’) liberalisme van de jaren negentig en zijn politieke, economische en artistieke verschijningsvormen. De intellectuele missie van die tijd bestond uit de volgende taken: de consolidatie van de nationale waarden ten koste van alle andere waarden; een vage, maar bijzonder krachtige oproep aan de maatschappij om een ondubbelzinnig positief wereldbeeld aan te hangen; en, tot slot, de implementatie van kunstmatig geconstrueerde ‘conservatieve’, ‘supra-individuele’ waarden, zogenaamd om tegengewicht te bieden aan het liberale consumentisme en het postmodernistische relativisme.

‘Liberalen’ waren toen de facto non-existent: de journalisten en politici die in de vroege jaren negentig onze gedachten vormgaven waren veranderd in doodgewone mensen met doodgewone eigenschappen en gebreken. Ze hadden besloten dat ze in een normaal land woonden en dat ze konden leven naar eigen goeddunken. (Zo had het ook moeten gaan, maar niet in Rusland, want dat is nog altijd geen ‘normaal land’.) Hun culturele ontwikkeling reikte niet verder dan de perestrojka. Na een decennium privatisering, conformisme en in sommige gevallen schaamteloze hebzucht was hun taal versleten en vervaagd. Om te begrijpen dat bijna niemand meer achter die taal stond had je heus geen verkiezingen nodig.

Ik schrijf dit alles op omdat het verband tussen politiek en cultuur me geweldig interesseert.

Een van de voornaamste publicisten die aan het begin van deze eeuw een lans brak voor de ‘antiliberale revolutie’ is de dichter Dmitri Bykov.[2] Overal waar hij maar kan verkondigt hij de idee dat de orgie van permissiviteit (volgens Bykov in de politieke sfeer geïncarneerd door frauduleuze ondernemers en corrupte politici, en in de artistieke sfeer door avant-gardistische dichters, moderne kunstenaars – ‘abstractelingen’ – en filosofen, die hij grappig genoeg bestempelt als ‘al die Derrida’) die in de jaren negentig losbrak een bloedige politieke reactie aan het losweken is, die er ook wel móést komen. Bykov schreef er een roman over, Orthografie. Die gaat uit van de erg dubieuze en volgens mij gevaarlijke gok dat er tussen de revolutionaire tijd en de onze een directe parallel bestaat. Wat mij aan deze these gevaarlijk lijkt is niet zozeer de leugenachtigheid ervan, maar eerder dat deze leugen bewaarheid kan worden. De hang van de intelligentsia naar het verleden, en dan vooral naar de beginjaren van de vorige eeuw, is godgeklaagd en bewijst haar onvermogen de logica van de huidige wereld te begrijpen en te aanvaarden. Ik schrijf over Bykov omdat in zijn persoon, ook al streeft deze naar onafhankelijkheid, enkele symptomen van de liberale intelligentsia zichtbaar worden.

Voor de liberale intelligentsia van de jaren negentig was het een heilige zaak de westerse cultuur van de tweede helft van de vorige eeuw in zich op te nemen en te verteren. Dat wil zeggen: de door de Sovjets opgelopen achterstand, die maar liefst een halve eeuw bedroeg, goed te maken. Daarna wilde ze de draad weer oppakken, alsof er niets was gebeurd, en een begin maken met een echt ‘concurrerende’ nationale cultuur en ideologie. Maar toen ze eenmaal had bemachtigd waarvoor ze in de Sovjettijd had gestreden, te weten de modernistische erfenis van de eerste helft van de eeuw, liet de liberale intelligentsia haar verdere ontwikkeling achterwege. Ze bleef gewoon discussiëren over vragen van het kaliber of het Zwarte vierkant van Malevitsj nu wel of geen kunst is. Aan de oppervlakte was er wel enige beweging waarneembaar, maar onderhuids waren heimwee naar het verleden, provincialisme en een bekrompen mentaliteit schering en inslag. In de praktijk was er geen klasse van intellectuelen verrezen, dat wil zeggen mensen die het als hun taak zien onpartijdige kritiek te formuleren op de Macht, mensen die zich niet spiegelen aan het discours van de Macht. Op enkele uitzonderingen na heeft de ontwikkelde klasse in Rusland van deze taak nooit iets begrepen.

Men stelt dat artistieke permissiviteit van een volstrekt andere orde is dan politieke en maatschappelijke permissiviteit. Permissiviteit in de kunst en in een maatschappij die op een normale manier op deze permissiviteit reageert kunnen ook worden gezien als een teken van een stabiele maatschappij. In het Westen hebben ze dat allang in de gaten, al sinds de Tweede Wereldoorlog. Om die reden kan hedendaagse kunst daar rekenen op de maximale steun van het systeem (vertegenwoordigd door de staat of door privéstructuren, zoals fondsen). Ze begrijpen dat in de kunst (zelfs als die wordt gemaakt door onschuldige mensen, met het verstand op de juiste plaats) nog altijd enorm veel ontvlambare complexen en ambities zijn samengebald, en dat die enorme explosieve energie onder controle moet worden gehouden. Voor de oorlog was dit controlesysteem nog niet volledig in werking, kunstenaars waren onvoorspelbaar. Hun expressie was toen veel krachtiger omdat ze openhartig kritiek uitten – denk bijvoorbeeld aan Céline of Ezra Pound – waarna repressieve maatregelen nodig waren. Na de oorlog heeft het systeem enkel voordelen ondervonden van de kunst. Hedendaagse kunst, zelfs in zijn meest agressieve verschijningsvorm, is in het Westen in de eerste plaats een uitlaatklep – in symbolische zin, maar dat niet alleen – waardoor negatieve energie geventileerd kan worden. Kunst fungeert er ook als controleobject en, volgens een wijdverspreide visie, als ideologisch wapen in de Koude Oorlog. Na een onbeheerste uitbarsting in de jaren zestig kregen dichters uiteindelijk hun rol als ‘privépersoon’ toebedeeld. Daarom worden hedendaagse dichters die zich opwerpen als de stem van de maatschappij in het Westen beschouwd als gekken of als bezeten idealisten, wier pathos niemand overtuigt.

Volgens mij is niemand in Rusland erin geslaagd om het ideaal van onze intelligentsia, de dichter als privépersoon, als burger, overtuigend te belichamen, ook al beweren velen bij hoog en bij laag het tegendeel. Kijk maar naar Brodsky. Als jongeman al heeft hij een enorme invloed uitgeoefend op zijn milieu. De veelkoppige en invloedrijke intelligentsia van haar tijd schoof hem naar voren om haar waarden uit te drukken. Hij heeft deze taak met verve volbracht en is daarvoor beloond met torenhoge morele en uiteindelijk ook financiële dividenden. Het proces tegen Brodsky was een van die gebeurtenissen die het land volgens alle morele en esthetische wetten had moeten doen ontploffen; negentig procent van wie in dat land cultureel actief was had begraven moeten worden. Volgens mij kan zo’n dichter zich onmogelijk opnieuw uitvinden als privépersoon, zelfs als hij daar zelf, na alles wat hij heeft meegemaakt en teweeggebracht, prat op gaat. Dat is niets anders dan aanstellerij en huichelarij.

Als literatuur uit is op een bijzondere positie – op privileges of, omgekeerd, op afwijzing – en dus op een bijzondere werking, als literatuur een forum wil worden voor scherpe en onpartijdige expressie, dan kan ze twee dingen doen: hopen dat de overheid haar te hulp komt in de vorm van directe repressie (zoals in het geval van Eduard Limonov[3]), of proberen om het bestaande culturele en economische paradigma te overstijgen, in de wetenschap dat dergelijke experimenten het risico van mislukking of vergetelheid inhouden.

\\\

Het is bekend dat Rusland op dit ogenblik geen intelligentsia heeft. Het enige wat er nog van over is zijn scherven, die zich verplaatsen door Moskou, door grote steden en provinciesteden, haar vuilnis. Sommigen werken bij een glossy tijdschrift of zijn aan de drank en aan lager wal geraakt, anderen stemmen op Javlinski[4] of hebben helemaal geen werk gevonden. Wat hebben zij gemeen? Twee Russisch-Joodse dichters van de twintigste eeuw, Mandelstam en Brodsky, hebben de volgende twee credo’s geformuleerd: ‘van nature ben ik geen wolf’, respectievelijk ‘een dief is me liever dan een bloedzuiger’ – oftewel persoonlijk pacifisme en een soort onbewust antikapitalisme. Wij weten ook dat je geen mensen mag doden. Verder weten we helemaal niets. Wat we nog wel weten is dat zelfs deze wetenschap, dat je geen mensen mag doden, een onderdrukkingsmiddel kan zijn, een vorm van bedrog, een manier om te doden. Onze wereld verschaft ons de mogelijkheid op een indirecte manier te doden. Daar hoef je absoluut geen ‘wolf’ voor te zijn. Het enige wat je daarvoor nodig hebt is een gemakkelijk compromis.

De voorstanders van een liberalisering naar westers model (voor zover zij überhaupt nog hoop koesteren) hebben hun hoop gevestigd op de verburgerlijkte intelligentsia, die gewend is geraakt aan de zegeningen van de jaren negentig en dus meer bereid is compromissen te sluiten. Maar de voorstanders van het nationalistisch-imperialistische bourgeoismodel hengelen ook naar de steun van deze intelligentsia. Het is deze intelligentsia die de auteurs van de almanak Mijlpalen[5] idealisme en een afkeer van rijkdom verweten.

Deze groep maakt deel uit van de nieuwe middenklasse, een klasse die, zoals de Russische zapadniki[6] altijd al geloofd hebben, borg moet staan voor welvaart, democratie en een opleving van de bourgeoisie. Het afgelopen jaar vond de grote ontnuchtering plaats: de middenklasse die zich nu dan eindelijk in Rusland heeft ontwikkeld, blijkt niet borg te staan voor algemene welvaart. De basis van deze middenklasse is een neurotische burgermassa, besmet met sociale en etnische xenofobie, die zich agressief vastklampt aan haar eigen welvaart, bereid alles op te offeren om deze welvaart te behouden, zelfs haar eigen vrijheid. Deze massa is niet geschikt als steunpilaar voor een burgerlijke democratie, maar des te meer voor een fascistoïde kapitalistisch systeem.

Een ander deel van de intelligentsia heeft geen toegang gekregen tot de welvaart. Deze mensen hebben geen plekje gevonden op de markt, ofwel omdat ze er niet in geslaagd zijn, ofwel omdat ze het om ethische redenen hebben vertikt. Dit deel van de intelligentsia is in de armoede beland, en heeft haar idealen en haar bestaansrecht verloren (toen duidelijk werd dat de beste mensen rijk en beroemd waren). Met deze groep kon het liberale Rusland van de jaren negentig niets. Dat geldt ook voor het Rusland van vandaag, dat opnieuw de kaart van de Zwarte Honderd trekt. Deze mensen vormen een uiterst depressieve en explosieve bevolkingsgroep. Ze vervallen in agressief conservatisme, hysterisch fundamentalisme of in een depressief antikapitalisme. Dat alles is het natuurlijke gevolg van het verlies van vroegere idealen en fundamenten, en van de verworpenheid uit de nieuwe wereld. Velen ervaren dat als extreem pijnlijk.

De situatie van dit nog niet ‘verdelgde’ deel van de intelligentsia wordt duidelijk als je kijkt naar wat er momenteel gebeurt met het Moskouse stadscentrum. Met name dit deel van de bevolking is daar emotioneel aan gehecht. Deze mensen willen niet uit het stadscentrum verhuizen, maar hebben niet de middelen om veel steekpenningen te betalen of om een appartement te kopen op de plek van hun voorkeur. Eigenlijk ben ik van plan een afzonderlijk boek aan Moskou te wijden, maar hier geef ik alvast de hoofdzaak mee. Spreken over het vaderland is moeilijk, het gaat gepaard met abstracties, maar toch moet het gebeuren. Voorlopig moet ik in elk geval dit kwijt: ik heb een vaderland, dat is het centrum van Moskou – voor een ander is dat misschien een plekje op een berg of ergens diep in het bos. Wie je vaderland vernietigt, wie het bos omhakt waarin je woont of wie je van je berg verjaagt om er een kerncentrale neer te plempen, die kan je niet anders dan doodwensen. Ik wens niemand dood, maar ik veracht wie mijn vaderland vernietigt, want de gesloopte en platgebrande gebouwen en huizenblokken zijn mijn bloedeigen organen. Weldra ben ik van top tot teen van plastic. (Dat is wat de cultuur met een ‘cultuurmens’ doet.)

Ik zou in een klein land geboren willen zijn, waarvan je het grondgebied binnen een dag kunt doorkruisen en waarvan je de steden op één hand kan tellen. Trauma’s uit mijn kindertijd en een zeker autisme hebben mij opgezadeld met een organische behoefte mezelf te identificeren met de ruimte om mij heen – of het nu een stad of een land is. Ik kan niet anders dan die stad of dat land ervaren als mijn eigen lichaam. Maar ik ben niet geboren in een klein land, ik ben geboren in Rusland en identificeer me met Rusland – dat lijkt me volstrekt normaal en realistisch. En aangezien ik me bij eventuele conflicten met andere systemen en staten altijd zal blijven identificeren met Rusland, wil ik graag dat dit land staat voor waarden die mij aan het hart gaan. Bijvoorbeeld democratie in plaats van despotisme, waarheid in plaats van brute macht, vrijheid in plaats van slippendragerij en kontlikkerij, verbondenheid in plaats van individualisme, talent in plaats van middelmatigheid.

Van mij mag de intelligentsia zich niet opsluiten in elitaire reservaten, niet samensmelten met de overheid of de kerk, en niet opgaan in de middenklasse. De intelligentsia heeft zoveel goede en slechte aspecten van de etnische en culturele ‘Russische’ identiteit gecultiveerd (en gedeeltelijk voortgebracht), en daarnaast nog zoveel aspecten van andere etniciteiten en culturen, dat ze nu in staat moet zijn al die dingen te verteren en om te smeden tot een nieuwe, niet-etnische Russische identiteit. Voor velen zou dan een oude droom in vervulling gaan. Dat is de grote uitdaging van onze tijd. Hier hangt het voortbestaan van Rusland van af.

Wij dichters willen niet geofferd worden op het slachtblok van de geschiedenis. Wij willen geen dissident zijn. De gedachte alleen al vervult ons met afschuw. Wij hebben talent, wij zijn avant-gardisten, wij willen zijn wat niemand vóór ons is geweest. Maar als het toch gebeurt, als jullie spoken van ons maken, schimmen van de vergane Joods-Russische intelligentsia, hemelsblauw spek, als jullie ons in de rol duwen van Jevgeni, het hoofdpersonage van Poesjkins gedicht De bronzen ruiter (die het in zijn eentje opnam tegen de staatsmacht), als jullie ons reduceren tot angstige en hysterisch moedige schepsels, met een bloedhekel aan jullie macht, aan jullie imperium, aan jullie staatsvorm, dan zullen wij die staat van jullie vernietigen en hem in duizend stukken opblazen. Want opnieuw zullen we de waarheid spreken, en voor jullie is de waarheid altijd vernietigend.

Maar dan moeten we wel eerst af van het valse burgerlijke idee dat literatuur ‘een privéaangelegenheid’ is. In Rusland worden ideeën nog altijd levend gehouden dankzij verloocheningen en offers. In feite is in Rusland poëtische taal, zelfs in haar meest geraffineerde en individuele verschijningsvormen, nooit domweg je eigen zaak. Het is een geneesmiddel of instrument voor onderdrukking, een vergif dat je beter maakt of doodt. Rusland zelf is een loeiende, pulserende ruimte, vol stomme natuurkrachten, waar je voortdurend op in moet praten, zonder ook maar één moment te rusten. Rusland is een onuitspreekbare kracht die als een blinde met haar kop tegen de muur aan loopt. Als je haar geen levende taal geeft, neemt ze gewoon een dode taal, een zombietaal, die zich als levend voordoet, en dan zal onze situatie nog veel slechter worden. Dan begint alles weer van voren af aan.

Er is iemand die op hoogst originele wijze is omgegaan met de vernedering van de Russische intelligentsia: Aleksandr Brener.[7] Door de grondtrekken van de Russische intelligentsia, de kenmerken van de westerse intellectueel en de gebruikelijke complexen van een ‘kunstenaar van de derde wereld’ met elkaar te combineren heeft hij een giftige substantie gebrouwen. Toen het poëtische woord aan kracht inboette (in het Westen als gevolg van het postmodernisme, terwijl in de Sovjet-Unie de Russische literaire taal volledig onklaar werd gemaakt door een op gewelddadige wijze doorgevoerde archaïsering), schreeuwde hij zijn absolute creatieve machteloosheid uit. Daarna is hij overgegaan tot directe radicale actie, waarmee hij volgens mij een heel belangrijk probleem aan de kaak stelt. Het narcistische, ordeloze en werkschuwe leven van ‘het creatieve lid van de intelligentsia’ valt te verantwoorden voor zover hij in staat is tot een ‘taalhandeling’. De vraag die hier moet worden gesteld is deze: wordt het woord echt een daad, of verliest het woord zijn kracht? Dat betekent dat de intelligentsia óf echt zal moeten ‘handelen’ (waar zij door de aard van het beestje – en ik weet dat uit eigen ervaring – geen zin in heeft), óf zal ophouden te bestaan. (Misschien is dat maar goed ook, maar daar ben ik niet zeker van.) ‘Het zwaarst van alles is de opgave democratisch te zijn, wat er ook gebeurt. Maar wat is dat eigenlijk voor iets? Dat is van alles het allermoeilijkste’, schreef Brener. En: ‘De eerste democratische schrijver was uiteraard markies De Sade. Na het aanschouwen van de revolutie, haar terreur, wreedheid en mateloosheid begreep De Sade dat de mens drie fundamentele elementen in zich draagt: seks, geweld en hulpeloosheid.’

‘Democratische kunst leert ons dat wij in geen geval geloof moeten hechten aan zaken als metafysica, oneindigheid, techniek, vooruitgang, evolutie en andere afgeleide categorieën die de macht op ons bewustzijn en op ons leven afvuurt. Voortdurend moeten wij ons ervan bewust zijn dat we sterfelijke, beperkte, bloeddorstige, baatzuchtige, gierige en onwetende schepselen zijn. Maar als we ons uiterste best doen, kunnen we onze ondeugden de baas worden. Dan kunnen we in de buurt komen van een heel intense liefde, van krachtige sociale contacten, en van verheven expressie van onze gevoelens en gedachten.’

Het idee van een ‘democratische kunst’ is mij zeer dierbaar. Die kunst is niet populair of elitair; ze streeft juist naar de opheffing van die tegenstelling. Die kunst helpt ons de angst recht in de ogen te kijken, en met de angst te leven. In navolging van het existentialisme ziet die kunst de mens als een misselijkmakend stuk vuil. En toch gelooft die kunst in de mens. Ze eist van hem de strengst denkbare ethische zuiverheid. Ze probeert het gemeenschapsleven te rechtvaardigen en te zuiveren door aan te tonen dat alle mensen, ongeacht hun etnische afkomst, hun intellectuele ontwikkeling en wat niet al, gelijk zijn en in staat zijn elkaar te begrijpen, en dat intellect, talent en ontwikkeling slechts als hulpmiddelen aan enkelen zijn gegeven, zodat ze zichzelf, hun klasse, hun sociale milieu, hun geloofsovertuiging en hun etniciteit kunnen overstijgen, om op zoek te gaan naar wat we gemeen hebben. Om datgene te onderstrepen waarin we gelijk zijn. Om een taal te vinden die we kunnen geven aan wie er een ontbeert.

We hebben dringend een nieuw wereldbeeld nodig. Een wereldbeeld waarin het rationele en het emotionele dichter bij elkaar worden gebracht. Waarin verschillende soorten kennis worden verzameld. Waarin verschillende sferen – politiek, economie, wetenschap, religie, cultuur, ethiek, natuur, techniek, het gemeenschapsleven en het privéleven – op een evenwichtige manier één worden gemaakt, zonder dat een van die sferen buitenproportioneel groot wordt opgeblazen – want dat kan tot totalitarisme leiden. De mens kan een nieuwe vrijheid verwerven. Een vrijheid van een emotionele, maar ook van een fysieke orde: de mens kan vrij zijn van zijn geslacht, van zijn etnische afkomst, van zijn bloed, van een allesvernietigend atheïsme, en van het zware obscurantisme van de kerk. De mensen zouden eindelijk weer met elkaar verbonden zijn via een nieuw begrip van wat ‘menselijk’ is, dat opnieuw ontdekt kan worden door iets te ontlenen aan het logocentrisme, iets aan het postmodernisme, iets aan de directe expressie en de directe actie, iets aan de poëzie en de filosofie, iets aan de psychologie, iets aan de ‘cultuur’ en de tegencultuur, en misschien wel aan iets anders ook, dat we nu nog niet kennen. Laat ons dit alles aaneenrijgen met een draad. Met een klankdraad, die ons van binnenuit doorboort en die ons verbindt met elkaar en met onze toekomst.

De huidige politieke en culturele situatie in Rusland boezemt ons angst in voor de toekomst. Het risico bestaat dat de dieven en oplichters van de jaren negentig, met hun volstrekt aardse en volstrekt begrijpelijke, ‘menselijke’ verlangen, worden afgelost door bloedzuigers: mensen DIE NIETS VAN DAT ALLES NODIG HEBBEN, die gewoon uit zijn op de macht als zodanig, op een positie van waaruit ze anderen kunnen gebruiken, terecht kunnen stellen of gratie verlenen. In dat licht worden alle wonden opengereten die de intelligentsia in de twintigste eeuw heeft opgelopen. Intussen slaat het terrorisme nieuwe wonden. Dat alles moeten we zien als een kans om bepaalde zaken opnieuw voor onszelf te bepalen.

Velen geloven dat er iets vreselijks te gebeuren staat. Ik heb geen zin om vreselijke dingen te voorspellen, want dan moeten we daarop gaan zitten wachten. Daarom wil ik hier louter nog schrijven over wat ik hoop: ik hoop dat ik in mijn vaderland kan leven, dat ik samen mag zijn met mijn zoon Bogdan, dat ik de kans krijg om kunst te maken. Op een ongepolitiseerde manier, gewoon als privépersoon.

December 2003 – augustus 2004

Gepost op kirillmedvedev.narod.ru in augustus 2004

 


[1]

De Russische parlementsverkiezingen van 2003 draaiden uit op een ramp voor de ‘democratische’ partijen, die daarvóór een gewichtig aantal zetels in de Staatsdoema hadden. Voor het eerst in de post-Sovjetgeschiedenis bleef zowel de liberale partij Jabloko, die zich sociaaldemocratisch profileerde, als de Unie der Rechtse Krachten, dat meer tot de Russische ondernemers sprak, onder de cruciale grens van 5%.

 

[2]

Dmitri Bykov (1967) is een literaire duizendpoot, al wordt hij ook wel omschreven als de meest kameleontische schrijver van zijn generatie. Hij begon zijn carrière als dichter en gymnasiumleraar. Hij is de auteur van een klein dozijn dichtbundels, zes romans, vier bundels korte verhalen en drie biografieën van prominente Sovjetschrijvers (Boris Pasternak, Maksim Gorki en Boelat Okoedzjava). Als columnist voorziet hij een breed gamma aan tijdschriften, van de oppositiekrant Novaja Gazeta tot de zakenkrant Profil, van kopij. Daarnaast is hij een beroemde tv-persoonlijkheid. Hij was een van de bedenkers en presentatoren van het populaire satirische duidingsprogramma Vremetsjko, dat in de jaren negentig dagelijks te zien was op NTV. De poëzie van Bykov is nostalgisch, zijn boeken satirisch en zijn biografieën controversieel. In de jaren negentig was Bykov liberaal gezind, tijdens Poetins eerste ambtstermijn stelde hij samen met andere intellectuelen de toenmalige uitwassen aan de kaak. In 2003 begon hij te schrijven voor de nieuw opgerichte nationalistische krant Konservator (De conservatieveling). In 2007 werd hij publicist van het antiliberale magazine Roesskaja Zjizn (Het Russische leven). Behalve wendbaar is Bykov ook bijzonder getalenteerd. In de nasleep van de grootschalige verkiezingsfraude van 2011 heeft hij zich ontpopt tot een energieke leidersfiguur in de protestbeweging tegen Poetin en diens overheidspartij Verenigd Rusland.

 

[3]

Eduard Limonov (1943) is een van de meest intrigerende en tegenstrijdige figuren van post-Sovjet Rusland. In de vroege jaren zeventig zakte Limonov als jonge telg van de beat generation van zijn Oekraïense geboortestad Charkov af naar Moskou. Het duurde niet lang of hij werd het land uitgezet. Hij raakte in New York verzeild. Hij vertikte het om een professioneel anti-Sovjetpersonage te worden. In plaats daarvan schreef hij de blasfemische gefictionaliseerde memoires Eto ja, Jeditsjko (in het Nederlands uitgegeven onder de titel De Russische dichter houdt van grote negers), over een verarmde immigrant die overleeft in de Amerikaanse grote stad. Na de implosie van de Sovjet-Unie keerde Limonov terug naar Rusland, waar hij zich inliet met politiek. Samen met de filosoof en beroepsprovocateur Aleksandr Doegin richtte hij in 1992 de Nationaal-Bolsjevistische Partij (NBP) op. In meer dan één opzicht was het een fascistoïde partij: haar politieke platform steunde op de jammerklacht dat het door Moskou bestuurde Sovjetimperium teloor was gegaan, op haar vlag prijkten hamer en sikkel in een witte cirkel tegen een rode achtergrond (een weinig subtiele knipoog naar Nazi-Duitsland). Tegelijkertijd was deze partij onder het bewind van Limonov eerder een artistiek dan een politiek project. Op een keer verklaarde Limonov op een persconferentie dat hij een zuivering ging houden in zijn NBP, waarna hij de haren knipte van een van de jonge partijleden. De Nationaal-Bolsjevisten gaven een erg levendig tijdsschrift uit: Limonka (wat afgeleid is van Limonovs achternaam, maar tegelijk ‘handgranaat’ betekent). Intussen bleef Limonov actief als schrijver; hij produceerde vooral memoires, maar aangezien hij daarin terugblikte op zijn eigen politieke leven, bevatten die ook politieke verklaringen en analyses. In de jaren negentig beperkten de activiteiten van de jongste leden van de NBP zich tot het gooien van groenten naar buitenlandse hoogwaardigheidsbekleders. Met het verstrijken der jaren escaleerde de toestand. In 2001 werd Limonov samen met een ander lid van de NBP gearresteerd op verdenking van wapensmokkel en het plannen van een invasie in de noordelijke Kaukasus (dat in belangrijke mate door etnische Russen wordt bevolkt), met de bedoeling daar een Russische republiek te stichten. Limonov zat een gevangenisstraf van twee jaar uit. Toen hij in 2003 vrijkwam, was de toen nog erg kleine NBP als een van de weinige Russische oppositiekrachten bereid de straat op te gaan. In hun retoriek bagatelliseerden ze hun vroegere nationalisme. Centraal stond nu een rabiaat en consequent (en moedig) anti-Poetinisme. Arrestaties volgden elkaar op. Om te kunnen rivaliseren met de NBP richtte het Kremlin zijn eigen jongerenbeweging op (eerst Vse Poetjom en daarna de Nasji-beweging). Limonov kwam nog meer in de schijnwerpers te staan. In de lente van 2007 organiseerde de NBP samen met liberale oppositiekrachten de Mars van de Ontevredenen, wat de daarop volgende jaren het belangrijkste oppositieplatform werd. Bij de meest recente demonstraties blijft Limonov aan de zijlijn staan – hij neemt enkel deel aan een organisatie wanneer hijzelf aan de touwtjes mag trekken. Met name over Aleksej Navalny is hij erg kritisch: hij noemt hem een oplichter.

 

[4]

Grigori Javlinski (°1952) is een liberale econoom en vooraanstaand post-Sovjetpoliticus. Hij is de oprichter van de politieke partij Jabloko, die haar slagkracht verloor toen ze bij de parlementsverkiezingen van 2003 onder de grens van de 5% dook.

 

[5]

De in 1909 gepubliceerde almanak Vechi (Mijlpalen) was een polemische verzameling geschriften, geschreven door zeven liberale intellectuelen, over de rol die de intelligentsia zou moeten spelen in de Russische geschiedenis. Na de Oktoberrevolutie groeide Vechi uit tot hét literaire symbool van het intellectuele antibolsjewistische verzet.

 

[6]

De term ‘zapadniki’ (afgeleid van ‘zapad’, wat ‘Westen’ betekent) verwijst naar een negentiende-eeuwse intellectuele beweging in Rusland, die polemiseerde met de slavofielen. In een notendop verwoord vonden de zapadniki dat Rusland de weg van het Westen moest opgaan, terwijl de slavofielen geloofden dat Rusland een eigen, unieke bestemming had. Deze discussie wordt in Rusland nog altijd gevoerd.

 

[7]

Aleksander Brener (°1957) is een dichter, schrijver en kunstactivist. Hij werd geboren in de Kazachse stad Almaty, studeerde in Leningrad, emigreerde in 1989 naar Israël en keerde in 1992 terug naar Moskou. Samen met Oleg Koelik en Andrej Ter-Oganjan richtte hij de beweging van het Moskouse Actionisme op, die allerhande publieke provocatieve acties organiseerde. In 1994 hield Koelik zijn eerste actie: als een dolle hond vatte hij naakt post bij het heiligdom van de kunstwereld: de galerie van Marat Guelman. Brener hield toen de leiband vast. In 1995, kort na het uitbreken van de Eerste Tsjetsjeense Oorlog, wandelde Brener het Rode Plein op, gekleed in een boxershort en bokshandschoenen. Met de woorden ‘Kom op, Jeltsin, kom hier!’ daagde hij Jeltsin uit hem te bevechten in een bokswedstrijd (als Jeltsin per se wilde vechten, dan hoefde hij maar het Rode Plein op te wandelen). Bij een andere gelegenheid, in het Poesjkinmuseum voor Schone Kunsten, ging Brener op de knieën en deed hij het in zijn broek (of deed alsof) voor een schilderij van Van Gogh, terwijl hij voortdurend ‘Vincent’ bleef zeggen (om uiting te geven aan zijn ontzag en hulpeloosheid ten aanzien van Grote Kunst). Zijn internationaal meest vermaarde daad van Moskous Actionisme vond plaats in het Stedelijk Museum van Amsterdam, waar hij met een spuitbus een fluorgroen dollarteken aanbracht op Malevitsj’ schilderij Suprematisme. Tijdens de vijf maanden die hij als straf doorbracht in een Nederlandse cel, schreef hij het boek Een ondergezeken pistool. Tegenwoordig woont hij in Wenen. Hij is de auteur van een groot aantal poëziebundels en provocatieve teksten over politiek. (Koelik bleef in Moskou en is nu het beroemdste lid van de Moskouse Actionismebeweging. In zijn atelier vonden de bijeenkomsten van Vojna (Oorlog) plaats, de kunstbeweging waaruit Pussy Riot is voortgekomen.)

 

Tags: , ,

TENK is een voertuig voor kritiek en analyse. Het biedt ruimte voor een overtuigd linkse blik op onze wereld, en wil zo bijdragen aan een nieuwe politieke debatcultuur. Want linkse politiek is verwaterd. Als een aangelengde limonade zonder kleur, geur of smaak is het de laatste jaren steeds verder verdund met wisselende doses technocratie, pragmatisme en centrisme.

Trackbacks/Pingbacks

  1. Kirill Medvedev. Mijn fascisme (enkele waarheden) | Van Poesjkin tot Poetin en snel terug - 27 april 2014

    […] het vervolg van dit essay bij TENK. Lees hier een uitgebreid auteursportret van Kirill Medvedev en hier de flaptekst van Alles is […]

  2. Mijn fascisme – Ooteoote - 27 april 2014

    […] TENK een voorpublicatie uit Alles is slecht van Kirill Medvedev dat op 1 mei verschijnt bij uitgeverij […]

Reageer