robin hood

Het lijkt tegenwoordig weer mogelijk om te praten over (on)gelijkheid. In zijn State of the Union noemde Obama het ’the defining challenge of our time’, en in de VS woedt nu een politieke strijd om de verhoging van het minimumloon. Zelfs in de jaarlijkse ontmoeting van de rijken en machtigen in Davos, was het onderwerp van serieus gesprek, al was het maar even. In Nederland blijft het debat vooralsnog uit, zelfs in de aanloop naar de gemeenteraadsverkiezingen. Even, een paar maanden terug, leek de ontwikkelingsorganisatie Cordaid een discussie op gang te brengen over armoede in Nederland, door aan te kondigen dat zij de armoede in Nederland ging bestrijden. Het debat kwam echter nauwelijks op gang en werd overschaduwd door het verzet tegen de gedachte dat Nederland een ontwikkelingsland zou zijn.

De armoede in rijke landen die vooral sinds de crisis aan het licht kwam, gecombineerd met de onverminderde zichtbaarheid van de rijken, is een van de mogelijke redenen voor deze hernieuwde belangstelling voor het thema van gelijkheid. Het discours over sociaal-economische gelijkheid mag echter niet worden overschat: het blijft een marginaal geluid. Hoe dan ook, het geluid is er nu, en dat mag op zichzelf al een klein wonder heten. Het duidt op het begin van het einde van een cyclus die begon toen de Britse conservatieve ideoloog Keith Joseph in de jaren zeventig de boer op ging met de toen nog provocerende boodschap dat ongelijkheid goed was voor de samenleving. Dit idee, al dan niet expliciet zo geformuleerd, zou gemeengoed worden. Gelijkheid werd verbannen naar het rijk der utopieën. Deze cyclus nadert nu zijn einde. Onlangs bepleitte de burgemeester van Londen, Boris Johnson, met expliciete verwijzing naar Gordon Gekko, dat ‘greed is good’. Tegenwoordig klinkt dat echter niet meer provocerend, maar oud, smakeloos en ietwat wanhopig. Hebzucht is anno 2014 een doorgeschoten libido, tegenwoordig minder geassocieerd met de control freak Gekko en meer met de ongeremdheid van de Wolf of Wall Street.

Het moment lijkt daar om het tegengeluid met kracht aan te zetten.

Over (on)gelijkheid valt veel interessants te zeggen, met name in reactie op diegenen die mensen dat er geen concrete doelen zijn voor de (wereldwijde) linkse beweging. Die zijn er namelijk wel. Eén daarvan wil ik hier uitlichten: het universeel basisinkomen. Het algemene idee van het universeel basisinkomen is dat iedereen op aarde een onvoorwaardelijk basisinkomen moet krijgen die haar of zijn basisbehoeften (onderdak, eten, gezondheidszorg) kan bekostigen.

Dit idee is gebaseerd op het volgende beginsel: niemand mag met volledig lege handen komen te staan, overgeleverd aan de wanhoop en gedwongen om zich over te leveren aan roekeloze uitbaters. De theorie dat mensen anders niet tot werken worden geprikkeld wordt verworpen met een verwijzing naar het moreel beginsel dat niemand mag worden gedwongen om te kiezen tussen werk en honger. Voor de Gekko’s onder ons: hebzucht blijft goed, en werken wordt nog steeds beloond, maar het wordt losgekoppeld van noodzaak uit wanhoop. Absolute armoede wordt afgeschaft.

Dit idee is niet nieuw. De Brits-Amerikaanse Verlichtingsdenker Thomas Paine heeft reeds in 1795 een soortgelijk voorstel gedaan. Franklin Roosevelt had het in zijn beroemde ‘four freedoms’ lezing in 1941 over ‘Freedom from Want’, en volgens sommigen kun je artikel 25 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, dat het recht op een minimale levensstandaard postuleert, ook in dit licht zien. In de afgelopen jaren is het idee van een universeel basisinkomen weer op het toneel verschenen. Op Europees niveau is een officiële petitie opgestart, die weliswaar niet de benodigde een miljoen handtekeningen kreeg (slechts 280.000 mensen tekenden), doch veel belangstelling wekte in verschillende Europese staten. Een nieuwe petitie is reeds gelanceerd. Mocht ooit die miljoen handtekeningen worden verzameld dan is het verzoek aan de Europese Commissie om dit idee op zijn minst te bestuderen en uit te werken naar een concreet voorstel. In Nederland is er een heuse Basisinkomenpartij, die in een aantal steden meedoet aan de gemeenteraadsverkiezingen. En als klap op de vuurpijl stemmen burgers in het calvinistische Zwitserland binnenkort in een referendum over een nationaal basisinkomen van 2500 Zwitserse franken.

De ideologische genealogie van dit idee is verrassend. Verlichtingsdenkers, een redelijk Keynesiaanse Amerikaanse president, maar ook libertaire economische denkers zoals Hayek en Friedman hebben dit idee gesteund. Ten tijde van Nixon is het zelfs een officieel plan geweest, gedefinieerd in Friedmans woorden: een negatieve belasting voor hen die geen inkomen hebben. Ook nu wordt het idee van een basisinkomen in de VS verwelkomd door mensen aan alle kanten van het politieke spectrum, maar voornamelijk ter rechterzijde. Een belangrijke reden hiervoor is dat het voorstel van een universeel basisinkomen heel goed werkt voor voorstaanders van het marktdenken. Meer individuele beslissingen, meer vrijheid om te bepalen hoe geld wordt uitgegeven, dit alles versterkt de marktwerking en dat is goed voor de libertaire zaak. Echter, wat hiermee gepaard gaat is dat van die kant wordt bepleit dat een universeel basisinkomen wordt ingevoerd ter vervanging van de verzorgingsstaat. Allerlei uitkeringen kunnen worden afgeschaft en allerlei bureaucratieën kunnen worden opgedoekt. Zoals de voorstaanders van het referendum in Zwitserland benadrukken: de staat wordt er alleen maar kleiner van. Begrijpelijkerwijs is er ter linkerzijde weerstand. Het bestaan van een basisinkomen kan immers met zich meebrengen dat mensen meer aan hun lot worden overgelaten; ze hebben nu een basisinkomen, wat willen ze nog meer?

En dan is er de weerstand van rechts. Als mensen een basisinkomen hebben, dan werken ze minder of helemaal niet. Dit is slecht omdat de algemene productiviteit daalt, maar het is ook onethisch van mensen om geld aan te nemen zonder er iets voor te doen. Dit gevoel wordt nog steeds breed gedragen, gezien ook het Nederlandse voornemen om mensen die een uitkering krijgen aan het werk te zetten. Dit voornemen illustreert hoe er een dubbelzinnigheid bestaat in het huidige ideologische klimaat. Het zal moeilijk worden om het verband tussen arbeid en inkomen te herdefiniëren, zoals voorstanders van het basisinkomen willen. Enerzijds is het argument van economische aard, en beargumenteren ze dat er op zich voldoende welvaart is om absolute armoede af te schaffen. Dit argument sluit aan op het argument dat grotere gelijkheid goed is voor de algemene productiviteit van de economie. Anderzijds is het argument van principiële aard: niemand mag onder dwang van absolute armoede aan het werk worden gezet. Het grotere kwaad is dus absolute armoede, niet het feit dat sommigen om welke reden dan ook niet kunnen of zelfs niet willen werken. Een participatiesamenleving kan nog steeds worden nagestreefd – kan dan zelfs beter tot haar recht komen – als mensen de ruimte hebben om voor hun ouderen te zorgen. Hoe dan ook, de band tussen inkomen en arbeid zal, als het aan de voorstanders van een basisinkomen ligt, niet langer een vanzelfsprekende zijn, maar wordt onderwerp van politiek en ideologisch debat.

Om het allemaal nog wat ingewikkelder te maken: verreweg de meeste voorstellen zijn van nationale aard, en zouden alleen binnen die landen werken. Ook het Europese initiatief richt zich op een Europees basisinkomen. Het woord universeel neemt niet weg dat men niet over de landsgrenzen kijkt; net als met het universeel stemrecht, dat ook per land bestaat. Dit is logisch, aangezien politieke mobilisatie en het op gang brengen van een beweging om een basisinkomen tot stand te brengen, is ingebed in nationale politieke structuren. Een Zwitsers referendum of een Europese verdragswijziging heeft nu eenmaal meer effect dan een VN-resolutie. Echter, alle argumenten die pleiten voor een basisinkomen doen dat des te meer in een globale, echt universele context. Armoede is in Nederland veel te abstract, moeilijk om goed te meten, en grotendeels onzichtbaar, zoals het schouderophalen na de aankondiging van Cordaid weer eens aantoonde. Dit geldt niet alleen voor de absolute armoede waaraan illegale migranten, en anderen die door de mazen van de verzorgingsstaat vallen, zijn uitgeleverd. Dit probleem speelt op het niveau van de relatieve armoede, voor mensen die nog nét geen honger lijden. Dit is een probleem dat aandacht vereist, maar een basisinkomen zal dat niet oplossen. Integendeel, het zou wel het probleem zijn dat overblijft na een basisinkomen. Absolute armoede is buiten Nederland echter een enorm probleem. Wereldwijd anderhalf miljard mensen in absolute armoede, ongeveer één op iedere vier mensen. Waar is dat nou goed voor?

Voor ons In Nederland is absolute armoede weliswaar ver van ons bed, maar ook wij zijn gewend aan haar bestaan-op-afstand. De ongelijkheid waar velen het tegenwoordig over hebben is een globale ongelijkheid. Wat economische globalisering doet in het hedendaags kapitalisme is die globale ongelijkheid uitbuiten om de totale welvaart te vergroten. Ons vermogen om smartphones te kopen is gebonden aan ons vermogen om spotgoedkoop kleding te kopen. Zowel de smartphones als de kleding die we kopen zijn door zeer goedkope arbeid in elkaar gezet, door mensen die hard willen werken om hun leven beter te maken, maar ook door mensen die geen keus hebben, omdat het alternatief absolute armoede is. Hun potentiële absolute armoede is inbegrepen in onze koopkracht. Het is belangrijk om die globale dimensie van armoede, en van welvaart, zichtbaar te maken.

Een universeel basisinkomen: geld geven aan de armen, maar dan direct. Niet aan arme landen, niet aan NGOs. Kan dat?. In Zuid Amerika besloten een aantal landen, met name Mexico en Brazilië, om dit eens uit te proberen. Het geld wordt niet helemaal onvoorwaardelijk overgemaakt, maar de voorwaarden zijn investeringen in menselijke waardigheid: kinderen moeten naar school worden gestuurd en ingeënt worden, enzovoorts. Tien jaar later zijn de resultaten indrukwekkend. Er is geen honger meer, miljoenen mensen zijn niet alleen uit de absolute armoede geklommen, maar sowieso tot de middenklasse toegetreden, door een beter dieet, een betere gezondheid, betere scholing. Wie had het ooit gedacht, dat je armoede kon bestrijden door geld te geven aan de armen? Het kan dus wel. Natuurlijk is het geen panacea, en er zijn vele gevallen van mensen die deze uitkeringen verliezen als ze uit de armoede klimmen, en daardoor afhankelijk blijven van diezelfde uitkeringen. Hierin ligt dan ook een van de voordelen van een universeel basisinkomen. Het creëert niet de voorwaardelijke afhankelijkheid van uitkeringen. Deze zekerheid wordt dan de basis waarop men bouwt aan een carrière, waarop men bouwt aan een bedrijf, waarop men bouwt aan een vermogen, of waarop men bouwt aan een gezin of aan een andersoortig persoonlijke zoektocht.

Het is moeilijk om niet te denken aan alle wetten en praktische bezwaren die het universeel basisinkomen vooralsnog in de weg zitten. Is een wereldregering een voorwaarde? Wie gaat dat betalen? Hier zijn antwoorden op te geven, maar die zullen wel nieuwe uitdagingen vormen. Een zeer kleine reductie in het wereldwijde militaire budget bijvoorbeeld, of een belasting op financiële transacties, de zogenaamde Robin Hood Tax. De eerste stap is echter om absolute armoede te zien, en om het niet als een natuurlijk gegeven te aanvaarden. De tweede stap is om de concreetheid van een universeel basisinkomen te omarmen, als een praktische invulling van het ideaal van sociale rechtvaardigheid; of als je in het marktdenken verkeert, als een verwezelijking van een eerlijke startpositie voor iedereen. De derde stap valt nog te bezien, maar erover praten met anderen, of het tekenen van petities, alles wat het idee verspreidt, is een voorwaarde om de praktische obstakels aan te gaan.

Ook al ziet men uit links-progressieve hoek allerlei gevaren, zoals nieuwe rechtvaardigingen voor privatisering van van alles en nog wat, zoals gezondheidszorg en onderwijs, ‘omdat mensen dat nu zelf kunnen kopen’, dan nog is het van belang dat we het potentieel van politieke samenwerking met pro-marktkrachten niet verspillen. We roepen het al jaren: armoede is nergens goed voor. Nu kunnen we daar concreet iets tegen doen. Laten we het principe aanvaarden, zodat we daarna over de details en de consequenties kunnen gaan vechten.

Een ander Zwitsers referendum ging overigens over een maximum aan bonussen voor CEOs. Dit voorstel werd afgewezen door ruim 62% van de stemmen. Het idee zal echter voorlopig niet verdwijnen en leeft in veel andere landen.

Het is duidelijk dat er over ongelijkheid nog veel meer te zeggen valt. Laten we dat vooral doen.

Tags: , ,

Over Juan Amaya Castro

Juan Amaya Castro werkt als postdoctoraal onderzoeker aan de Vrije Universiteit. In 2009 promoveerde hij in de rechten op het proefschrift 'Human Rights and the Critiques of the Public-Private Distinction' aan de Vrije Universiteit. Zijn huidige onderzoek richt zich op mensenrechten en de ontwikkeling van migratierecht.

Nog geen reacties.

Reageer