Weg met de fatsoenlijke burger, terug naar de politieke burger

A fgelopen vrijdag constateerde hoogleraar James Kennedy in de jaarlijkse Kohnstammlezing dat Nederland nauwelijks een traditie van politiek burgerschap kent. Burgerschap verwordt hierdoor tot fatsoensnorm. Mart Rutjes bepleit een nieuwe politisering van burgerschap, vanuit het besef dat burgers de staat niet aanvullen, maar de staat zijn.

Er is iets ongemakkelijks aan de Nederlandse notie van burgerschap. Aan de ene kant lijken ideeën over de ‘goede burger’ sterk etnisch-cultureel gebonden en begrensd. Burgerschap is in deze opvatting geworteld in een lange historische traditie en behoort toe aan mensen die hier al lang wonen. Aan de andere kant wordt ons burgerschapsidee bepaald door een op het eerste gezicht meer open visie: die van het liberaal-economisch burgerschap. Iedereen die bereid is een actieve bijdrage aan de samenleving te leveren en zijn of haar ‘verantwoordelijkheid te nemen’ doet mee. Beide opvattingen staan deels op gespannen voet met elkaar, maar ze hebben één ding gemeen: ze maken burgerschap uiteindelijk beperkt, statisch en passief.

In tegenstelling tot landen als Frankrijk en de VS zijn we in Nederland namelijk geneigd de burger als een apolitiek wezen te zien.  Er is in Nederland nauwelijks sprake van een traditie waarbij het als plicht wordt gezien om je met de publieke zaak te bemoeien en mee te praten en te denken over de toekomst van het land. In deze burgerschapsopvatting wordt geen duidelijk onderscheid gemaakt tussen een staat aan de ene kant en een samenleving met burgers aan de andere kant, zoals dat in het liberalisme gebruikelijk is. De staat wordt gezien als de samenvoeging van de geografisch begrensde soevereine macht en de burgergemeenschap, niet als een macht die daarbuiten staat: de staat, dat zijn wij.

Wat is een burger dan wel in Nederland? ‘Burger’ en ‘burgerschap’ hebben in Nederland, naast een juridische betekenis, vooral een sociale en culturele kern gehad. Toen de historicus Johan Huizinga in 1934 stelde dat Nederlanders, ‘of zij nou hoog of laag springen’, allen burgerlijk zijn, bedoelde hij vooral dat in Nederland van oudsher een ‘burgerlijke cultuur’ heerste. Burgers zijn in die opvatting vooral mensen die burgerlijk sociaal gedrag tentoonspreiden. Ze zijn beleefd zonder onoprecht te zijn. Ze houden zich zoveel mogelijk aan heersende normen en rituelen. Ze maken hun belangen zoveel mogelijk ondergeschikt aan het algemeen belang van de stad of de natie.

Op deze sociaal-culturele opvatting van burgerschap die al sinds de late Middeleeuwen een rol speelt in het Nederlands zelfbeeld, kwam rond 1900 kritiek. De Tachtigers verwierpen toen het burgerlijke ideaal als benepen en conformistisch. In de jaren 1960 kwam het tot een frontale aanval op ‘burgerlijkheid’, dat synoniem werd voor een braaf en paternalistisch soort apathie. Burgerlijk had afgedaan. Recentelijk is er echter sprake van een terugkeer van het sociaal-cultureel burgerschapsideaal.

Die is nu vooral gekoppeld aan discussies over immigratie en integratie. Daarbij is sprake van een Nederlands cultureel burgerschap waar nieuwkomers zich toe moeten verhouden en waar ze zich het liefst aan moeten conformeren. Dit soort burgerschap is iets dat oorspronkelijke bewoners al ‘bezitten’ dankzij de eeuwenoude traditie van burgerlijkheid. Nieuwkomers moeten dit burgerschap echter ‘aangeleerd’ krijgen, waarbij ze moeten opboksen tegen het gewicht van de geschiedenis. Het maakt burgerschap voor de meeste Nederlanders passief (je hebt het en hoeft er niks voor te doen) en statisch omdat het gekoppeld is aan het idee van een eeuwenoude vrijwel onveranderlijke traditie.

Dit lijkt minder te gelden voor de andere betekenis van burgerschap, de liberaal-economische. Deze visie op burgerschap bestaat in de basis al enkele eeuwen maar lijkt de laatste decennia nog dominanter te zijn geworden en wordt door vrijwel alle politieke partijen omarmd. Burgers zijn in deze optiek individuen die proberen hun belangen op een zo economisch mogelijke manier te behartigen. De civis economicus is over het algemeen prima in staat om zelf te bedenken wat hij of zij wil en hoe hij of zij dit moet bereiken. Hij moet dan ook zo veel mogelijk ruimte hebben om zijn levensdoelen te verwezenlijken, en is vervolgens zelf verantwoordelijk voor de keuzes die hij of zij daarbij maakt.

De overheid heeft vanuit dit burgerbeeld een specifieke taak: zij moet de voorwaarden creëren waardoor zoveel mogelijk individuen zoveel mogelijk ruimte hebben om hun belangen na te jagen. Eén van de manieren waarop de overheid en de politiek in bredere zin dit doet is door de individuen die onder haar gezag vallen (de burgers) te blijven herinneren aan deze visie en de rol van de burger daarin. Het benadrukken van de specifieke liberaal-economische verantwoordelijkheid van de burger hoort daarbij: burgers moeten zich aan de wet houden om zo de belangen en vrijheden van anderen niet te schenden en zij moeten een productieve bijdrage leveren aan de nationale economie.

Dat is goed terug te zien in de opvattingen van het kabinet over het (hoger) onderwijs, dat traditioneel gezien wordt als dé plek waar burgerschap aangeleerd en verspreid moet worden. Minister Bussemaker liet in verschillende interviews blijken dat hoger onderwijs vooral tot doel heeft economisch productieve burgers af te leveren: zo zouden vrouwen die na hun studie niet gaan werken moeten bedenken dat de overheid niet voor niets in hen geïnvesteerd had.

Deze visie van burgerschap laat een veel grotere mate van vrijheid en inclusiviteit toe, maar met een belangrijke kanttekening. Zoals uit bovenstaande blijkt staat de burger in dienst van de economie en gehoorzaamt hij of zij aan de ijzeren wetten van de economie die het handelen van de burger bepalen. In die zin is ook dit burgerschap beperkt, passief en statisch. Dat wordt versterkt door het feit dat ook het liberaal-economische burgerschapsideaal gezien wordt als passend in een eeuwenoude ‘VOC-mentaliteit’.

Het kan ook anders, namelijk in een vorm van burgerschap die in de VS en Frankrijk meer gebruikelijk is maar in Nederland een beperkte traditie kent: politiek burgerschap. De burger als een bij uitstek politiek wezen wortelt in de klassieke Oudheid, maar vindt zijn moderne wedergeboorte in het tijdvak van de revoluties rond 1800. Toen werd een burgerschapsopvatting populair die in zijn meest scherpe versie was verwoord door de filosoof Rousseau. Individuen zijn in deze visie burgers omdat zij zich op basis van een maatschappelijk verdrag – een politieke keus dus – tot een samenleving hebben gevormd.

Die keus heeft een aantal belangrijke consequenties. Ten eerste zijn burgers, omdat zij op gelijke voet toetreden tot de samenleving, aan elkaar gelijk. De ene burger is niet meer waard, heeft niet meer of minder rechten dan de andere burger. Ten tweede zijn burgers door hun ‘ondertekening’ van het maatschappelijk verdrag aan elkaar onderworpen en tevens verantwoordelijk voor elkaar en elkaars belangen. Zij zijn immers niet slechts individuen maar leden van een (politieke) gemeenschap. Dit lidmaatschap geeft, ten derde, de burger niet alleen bepaalde politieke en sociale rechten, maar legt hem en haar ook bepaalde plichten op jegens die gemeenschap.

Deze opvatting gaat uit van een sterk maakbaarheidsidee waarin burgers een cruciale en actieve rol spelen: zij scheppen de samenleving op basis van hun wensen en ideeën. Rond 1800 leidde dit tot een volledige omverwerping van het ancien regime. Grote politieke hervormingen werden (ook in Nederland!) doorgevoerd die nog voelbaar zijn in onze eigen tijd: de invoering van een vertegenwoordigende democratie, een grondwettelijk stelsel van burgerlijke rechten en plichten en de verantwoordelijke en zorgende overheid. Al deze hervormingen konden slechts plaatsvinden dankzij een opvatting over burgerschap die de burger niet ondergeschikt maakt aan culturele tradities of economische wetten maar die haar ziet als de schepper van die tradities en wetten.

De nadruk op de scheppende politieke kracht van de burger, de nadruk op gelijkheid en gedeelde in plaats van individuele verantwoordelijkheid, maken deze visie op burgerschap bij uitstek geschikt voor een linkse politieke agenda. Wie wil bijdragen aan een nieuw links geluid zal, ondergetekende niet uitgezonderd, politiek burgerschap dus moeten propageren en beoefenen. Niet alleen door zijn of haar (stem)recht uit te oefenen, maar ook door het als plicht te zien om de publieke zaak te dienen. Via de pers, de politieke partij, de vakbond of andere georganiseerde verbanden die steeds meer zijn uitgehold. Dat heeft wel één grote consequentie: politiek burgerschap kan alleen werken als het als iets collectiefs beschouwd en geleefd wordt, niet alleen als een individueel recht of eigenschap. In de liberale selfie-samenleving waarin individuele expressie en vrijheid nog steeds als grootste goed geldt is dat een ongemakkelijke maar wel belangrijke gedachte. Als wij weer de staat willen zijn dan moeten we ons organiseren.

Tags: , , , ,

Over Mart Rutjes

Mart Rutjes is historicus en auteur van het boek Door Gelijkheid Gegrepen, een studie over de Bataafse revolutie en Nederlandse staatsvorming. Voor een recensie, zie: http://www.nrclux.nl/door-gelijkheid-gegrepen-mart-rutjes/nl/product/1022854/

Nog geen reacties.

Reageer