Het glas moet leeg – Over het gevaar van een taboe op de Godwin

De ‘wet van Godwin’ wordt tegenwoordig opgevat als een heilige morele wet en is als zodanig oneindig machtig. Dat leidt er in Nederland toe dat we nieuwe verschijningsvormen van fascisme niet onder ogen durven te zien. Een gevolg van een nauwe historische analyse die blind is voor hedendaagse uitsluitende politieke tendensen.

Er is veel verwerpelijk aan de politiek van Wilders. Zijn gevaar schuilt echter vooral in het stuitende onvermogen van andere politieke partijen en opiniemakers om zich tegen die politiek te weren.

De taal van politiek Den Haag kent allerlei doodzondes. Boven aan het lijstje doodzondes staat binnen die taal ‘de Godwin’. De wet van Godwin werd eind vorige eeuw moreel geïnterpreteerd en vervolgens heilig verklaard. Hij luidt als volgt: “Naarmate online-discussies langer worden, nadert de waarschijnlijkheid van een vergelijking met de nazi’s of Hitler 1”. Die wet is dus, anders dan de toepassing ervan, op zichzelf niet moreel van aard. Ze is gebaseerd op een constatering – een pseudo-wetenschappelijke uitspraak van een nerdy advocaat, tevens early adopter van de blogosfeer. Dat die wet nu ingezet wordt als het absolute politieke taboe is een van de grootste problemen in de hedendaagse Nederlandse politiek.

Dat taboe gaat inmiddels zelfs ver genoeg om mensen die openlijk extreem-rechtse uitspraken doen te gedogen en tegelijkertijd een ban uit te spreken over iedere duiding daarvan als extreem-rechts of fascistisch. Daarmee is de Godwin het ideale vehikel geworden voor de depolitisering van fascistische politiek. In het Nederlandse politieke debat heet dat ‘beschaving’, een woord dat tegenwoordig op zoveel manieren misbruikt wordt dat iemand er eens een alternatieve Godwin voor zou moeten bedenken. Net als dat andere woord: ‘verlagen’. Zowel links als rechts wil zich, uit naam van de beschaving, niet ‘verlagen’ tot het niveau van Wilders, bijvoorbeeld in de vorm van de Godwin. Het probleem is dat die beschaving ook diezelfde Holocaust heeft voortbracht. We bevinden ons derhalve reeds in beginsel in niet erg hoge sferen.

Tijd voor traumaverwerking
Trauma’s maken blind en irrationeel. Wie getraumatiseerd is moet daarom in behandeling. Hij of zij functioneert niet meer. Trauma’s verhullen zich in vreemd ontwijkend gedrag. Eén van Sigmund Freuds meest bekende patiënten, door hem beschreven onder de naam Anna O., kreeg last van een onverklaarbaar onvermogen om te drinken. Als ze een glas water voorgeschoteld kreeg, duwde ze het vol afschuw weg. Toen Freud haar op gegeven moment onder hypnose bracht, kwam ze op de proppen met een verhaal over een vrouw die ze verafschuwde en eens had bezocht. Tijdens dat bezoek zag ze het hondje van de vrouw, dat ze omschreef als een walgelijk wezen, drinken uit een glas water. Uit beleefdheid hield ze haar mond over de gebeurtenis. Nadat ze, nog immer onder hypnose, haar afschuw over de binnengehouden gebeurtenis geuit had, vroeg ze om een glas water en dronk er een aantal flinke slokken uit. Ze ontwaakte met het glas nog op haar lippen en had nooit meer last van haar kwaal.

Trauma’s doen zich niet alleen voor bij individuen, hele volksstammen kunnen lijden aan een trauma en als gevolg daarvan onder specifieke omstandigheden hysterisch gedrag gaan vertonen. Niet zelden komt een trauma voort uit schuldgevoel. Zo zou ik het onvermogen van de Turkse staat om de historische feitelijkheid van de Armeense genocide te onderkennen omschrijven als een trauma voortkomend uit schuldgevoel. Het argument dat in dat debat dikwijls wordt gebruikt, naast het historische gegoochel met feiten en definities, is het volgende: Turken doen dat niet. Er zit iets duivels sympathieks in die redenatie: de ethische en politieke verwerping van de gruwel van een genocide maakt dat het onmogelijk is om te accepteren dat iets dergelijks überhaupt plaatsgevonden kán hebben. Tegelijkertijd, echter, wordt de historische werkelijkheid daarmee veronachtzaamd en het eigen handelen genuanceerd en gebagatelliseerd.

Op veel kleinere schaal zagen we diezelfde beweging ook terug in het zo fel gevoerde Zwarte Piet is racisme-debat. Het succes van de zogenaamde ‘Pietitie’ kwam voor het belangrijkste gedeelte niet voort uit een historische analyse van de ondertekenaars, maar uit hun onwil en onvermogen om zich in te schrijven in een racistische traditie. Veel van de ondertekenaars, misschien zelfs allemaal, beschouwen zichzelf geenszins als racist. Erkenning van het feit dat het instituut Zwarte Piet een racistische is, zou in hun ogen betekenen dat ze met terugwerkende kracht hun hele leven lang met veel plezier een racistisch feest gevierd zouden hebben. Die twee zaken zijn niet met elkaar te verenigen en ‘dus’ moet één ervan onjuist zijn. Dat vervolgens de meest comfortabele conclusie getrokken wordt (er kan geen sprake zijn van racisme in de figuur van Zwarte Piet) is niet erg verrassend, hoe onjuist ook. De kracht waarmee het argument opgevoerd werd doet echter vermoeden dat er een sluipend schuldgevoel onder verscholen gaat. De slecht onderwezen geschiedenis van het slavernijverleden, die in Nederland het liefst massaal genegeerd wordt, komt plots geassocieerd met geliefde en onschuldig gewaande actuele symboliek naar boven. Er wordt een trauma aangeroerd dat men eigenlijk zo diep mogelijk begraven wilde houden.

Het moeilijkste proces als het gaat om schuld en trauma hebben de Duitsers na de instorting van het Derde Rijk doorgemaakt. Een pijnlijk proces van boetedoening en publieke verontschuldiging is nog steeds gaande. Toen Der Untergang tien jaar geleden de Duitse cinema’s bereikte bleek dit andermaal. Hitler werd niet alleen neergezet als een monster, maar hier en daar ook als een aardige man. Een mens van vlees en bloed met gevoelens van mededogen en liefde, niet in denderende mate, maar toch. Eén en ander raakte aan een ongemakkelijkheid: als Hitler niet een bovenaards monster was, maar een menselijke politicus met verschillende kanten, wat garandeert ons dan nog dat een soortgelijk fascisme niet terug kan keren? Die garanties zijn er uiteraard niet. En precies dat maakt de wijze waarop de wet van Godwin als gebod wordt geïnterpreteerd en als zodanig heilig verklaart levensgevaarlijk. Als het Derde Rijk uitsluitend bekeken kan worden als een historisch feit waarin het absolute, schijnbaar unieke kwaad, door een kwade genius eenmalig over ons werd uitgestort, dan zijn we gedoemd om in herhaling te vervallen. Niet op dezelfde manier, maar in een nieuw jasje dat in wezen hetzelfde doet. Dat het proces van historische analyse en traumaverwerking in Duitsland inmiddels vruchten afwerpt blijkt wel uit het gemak waarmee in Duitsland het taboe op het ‘doen van een Godwin’ genegeerd wordt. Wilders speech na de gemeenteraadsverkiezingen wordt daar rustig vergeleken met de Sportpalastrede van Goebbels in 1939.

Tijd voor een hernieuwd ideologisch bewustzijn
In Duitsland durft men onder ogen te zien dat de tweede wereldoorlog, en de Holocaust die het organiseerde, geen incident was, geen freak of history, geen anomalie die eigenlijk niet plaats kon vinden. Het was een gevolg van een stelselmatig uitsluitend politiek denken – een denken waar ook Wilders zich van bedient. Hitler was geen bizarre boven- of ondermenselijke duivel. Het was een politicus, een man met een ideologisch programma, effectief gepropageerd door Goebbels. Er is geen serieuze discussie mogelijk over de vraag of Wilders een gericht uitsluitende politiek bedrijft. Dat is een evidentie waar hij geen geheim van maakt. Marokkanen zouden het best uit Nederland kunnen verdwijnen en hij heeft er wel een aantal concrete ideeën voor hoe dat te bewerkstelligen. Hij wordt pas boos als je die evidentie duidt met een niet zo moeilijk te leggen parallel. Dat is raar, want, om Wilders zelf maar even te citeren: “dat mensen het niet prettig vinden en er bang voor zijn, maakt de waarheid niet minder waar.”

De massahysterie en irrationele woede die loskomt op het moment dat iemand een vergelijking trekt tussen de politiek van Hitler en die van Wilders duidt op een onverwerkt trauma. Het is een blinde vlek in het Nederlandse politieke landschap dat vanuit een misplaatst gevoel van ‘fatsoen’ en ‘beschaving’ hooggehouden wordt. Desnoods afgedwongen door de schuimende lippen van de heer Wilders zelf. Godwin heeft in het Nederlandse debat de ultieme wet voor een ‘zuivere argumentatie’ geleverd, waarbij iedere historisch afwijkend detail maakt dat we onszelf de mond moeten snoeren. Het punt is alleen dat het er helemaal niet om gaat of de historische vergelijking mank gaat. Wilders is het fascisme momenteel, live op televisie, opnieuw aan het uitvinden. Hij is er een eigen taal voor aan het ontwikkelen en een eigen vorm voor aan het vinden. Het is de hoogste tijd dat we dat feit erkennen en serieuze analyses op die taal en vorm gaan toepassen. En het is de hoogste tijd dat we ons in die analyse niet enkel laten leiden door specifieke historische feitelijkheden, maar veeleer oog krijgen voor de ideologische lijn waar die vormen uit voortkomen. Want als bij Freuds dorstige patiënte moet het glas leeg voordat we door een raar trauma uitdrogen. En garde, dus, voor een tolerante, radicaal inclusieve politiek. Er zullen slachtoffers vallen. Laat het taboe op de Godwin het eerste zijn.

Dit stuk verscheen eerder op Politieke taal.

Tags: , , ,

Dichter/ filosoof. Betrokken bij o.a. Read my World, VersSpreken, Bits of Freedom, Werkgroep Caraïbische Letteren en Perdu.

Nog geen reacties.

Reageer