Etniciteit kan antihomogeweld niet verklaren

R ecent onderzoek naar antihomogeweld van de Nationale Politie werd breed omarmd als bewijs dat niet Marokkanen, maar autochtonen het geweld veroorzaken. Maar ook deze claim berust op de aanname dat het geweld kan worden begrepen en bestreden met het aanwijzen van een duidelijke dadergroep. De politiek kan zich beter richten op de oorzaken van het geweld dan op het wijzen naar groepen, betoogt Laurens Buijs.

“Homogeweld vooral door blanke man”, kopten verschillende landelijke dagbladen na het recente verschijnen van het politierapport ‘Antihomogeweld in Nederland’. Volgens dat rapport heeft 68,1% van de verdachten alleen de Nederlandse, en slechts 16,6% (ook) de Marokkaanse nationaliteit.

UvA-psycholoog Kai Jonas toonde zich in de pers desgevraagd opgetogen over de resultaten, omdat volgens hem een van de “hardnekkigste mythes” rond het antihomogeweld kan worden ontkracht. Dat “vooral 16-jarige Marokkaanse jongens op een scooter” het grootste gevaar vormen voor de veiligheid blijkt volgens Jonas “dus niet altijd waar”.

Op sociale media kwamen deze bevindingen echter meteen onder vuur te liggen. Paspoortbezit is geen goede indicator voor etniciteit, riep de een. Ander onderzoek laat zien dat Marokkaanse jongens wel degelijk oververtegenwoordigd zijn als daders van antihomogeweld, riep de ander. En zo liet het rapport in plaats van duidelijkheid vooral een smeulende onbevredigdheid achter.

Deze discussie is kenmerkend voor de wijze waarop het Nederlandse debat over homo-emancipatie al sinds Pim Fortuyn verloopt. Hij bracht het inmiddels ingeburgerde idee in zwang dat ‘de multiculturele samenleving’ desastreuze gevolgen zou hebben voor seksuele emancipatie.

Sindsdien zijn we homoacceptatie gaan zien als een proces met een duidelijk einddoel: de autochtone bevolking zou dat doel al nagenoeg bereikt hebben en dus “geëmancipeerd” zijn, terwijl de etnische en religieuze minderheidsgroepen nog achterop lopen of ergens in het proces zijn blijven steken.

Deze opvatting over homo-acceptatie verklaart waarom we met zoveel nostalgie zijn gaan praten over emancipatie: Nederland zou “niet meer zo tolerant zijn” als het ooit geweest was, en Amsterdam zou “geen Gay Capital van de wereld” meer zijn. Met andere woorden: we zouden “terug in de tijd” zijn gegaan, en dat allemaal door de komst van die vervloekte multiculturele samenleving.

Deze opvatting over homo-acceptatie verklaart ook waarom sociaal-wetenschappers de laatste jaren zoveel inspanningen hebben geleverd om “de staat” van “de homo-emancipatie” in Nederland in kaart te brengen. Immers, als homo-emancipatie wordt gezien als een proces met een duidelijk einddoel, dan is het ook mogelijk om te onderzoeken “hoe ver” we daar al in gevorderd zijn. Universiteiten en onderzoeksinstituten produceren aan de lopende band vuistdikke rapporten die de indruk wekken een sluitend antwoord te geven op de vraag bij wie de homo-emancipatie al “voltooid” is, en bij wie nog niet.

In het geval van antihomogeweld leidt dat tot een grote aandacht voor cijfers. Hoe vaak zijn homo’s slachtoffer van geweld? Neemt het geweld toe of af? Wat zijn de kenmerken van de verdachten? Deze vragen domineren het politieke debat over antihomogeweld.

Maar deze vragen blijken niet zo eenvoudig te beantwoorden. Antihomogeweld wordt nog niet lang genoeg bijgehouden om betrouwbare uitspraken te doen over trends op lange termijn. Uit een eventuele stijging in die trend kan overigens ook niet geconcludeerd worden dat het geweld toeneemt; hoogstens dat er meer aangiftes bij de politie geregistreerd worden, wat ook als positief gezien kan worden na jarenlange inspanningen om de aangiftebereidheid op te krikken. Van onderzoek uit de jaren ’80 weten we bovendien dat ernstig antihomogeweld ook toen al geen incidenten waren in Amsterdam. En “daderkenmerken” zijn vaak subjectief en daardoor nauwelijks ondubbelzinnig te categoriseren.

Ons denken over emancipatie nodigt dus uit tot het stellen van vragen die door de aard van de beschikbare gegevens slecht te beantwoorden zijn. Bovendien zijn deze vragen oppervlakkig, want door al het schermen met cijfers, het wijzen naar groepen en het nostalgische mijmeren over een beter verleden heeft niemand meer aandacht voor de oorzaken van het geweld.

Waarom leidt homoseksualiteit soms nog steeds tot maatschappelijke uitsluiting? Welke aspecten van homoseksualiteit leiden vooral tot weerstand, en in welke context? Is er een verband tussen antihomogeweld en andere soorten geweld?

Stuk voor stuk vragen die niet voortkomen uit de behoefte om te weten hoe “ver” de homo-emancipatie gevorderd is, maar die slechts praktische handvatten willen geven voor het begrijpen en bestrijden van het geweld.

Het onderzoek dat ik in 2008 deed met collega’s Gert Hekma en Jan Willem Duyvendak wees uit dat het geweld veel te complex is om een duidelijke groep als schuldige aan te wijzen – of dat nou ‘moslims’ zijn of ‘blanke mannen’.

Wij vonden dat het geweld voor een belangrijk deel voortkomt uit de ingewikkelde zoektocht van jongens naar hun mannelijkheid en seksualiteit. Deze oorzaak is allesbehalve voorbehouden aan een duidelijke maatschappelijke groep. Diepgewortelde emoties over seksualiteit en ingesleten verwachtingen over mannelijkheid en vrouwelijkheid kennen een lange geschiedenis en raken alle groepen in de samenleving.

Het is goed dat de Nederlandse politie steeds meer stappen neemt om geweld tegen homo’s te registreren. Maar deze cijfers kunnen niet worden gebruikt om groepen aan te wijzen die verantwoordelijk zouden zijn voor het geweld, of om uitspraken te doen over “de staat van de homo-emancipatie”. Het is tijd voor een pragmatische aanpak die de oorzaken van het geweld erkent.

Laurens Buijs is sociaalwetenschapper aan de Universiteit van Amsterdam en namens stadspartij Red Amsterdam (Lijst 6) verkiesbaar voor de gemeenteraad. 

Tags: , , , , , ,

Nog geen reacties.

Reageer