Een oefening in conformisme: de deliberatieve democratie van David van Reybrouck

I n 2012 werd in België op initiatief van de schrijver David Van Reybrouck en anderen een “G1000” georganiseerd: een oefening in “deliberatieve democratie” waarbij men poogde aan politiek te doen zonder de klassieke patronen ervan te volgen, en zo de burger “outside of the box” te laten denken. Het initiatief was goed bedoeld. Het ging uit van de wijd verspreide institutionele vermoeidheid bij de bevolking – mensen die enkel nog cynisch kunnen staan tegenover de politieke instellingen en die zich op geen manier meer kunnen vinden in de grote structuren van het politieke bedrijf en van het georganiseerde middenveld.

Het initiatief werd ook begeleid door wetenschappers, en het ging uit van een wetenschappelijk model: de representatieve steekproef, de “sample” die in alle statistische surveys gehanteerd wordt. De deelnemers waren als zodanig geselecteerd: ze moesten een representatieve dwarsdoorsnede vormen van de samenleving. Wanneer die mensen dan discussieerden over thema’s die zelf waren geselecteerd via een online vragenlijst, en met de hulp van deskundigen van de bijbehorende “feiten” worden voorzien, dan zouden we een “pure”, onbezoedelde politieke standpuntenbepaling krijgen. Dan zouden we eindelijk weten wat het volk echt denkt.

Althans dat dacht men. Alleen ging met niet enkel uit van een wetenschappelijk model, maar ook van een wetenschappelijke mythe: dat er persoonlijke “opinies” bestaan die volkomen los van elke vorm van context en beïnvloeding gevormd worden.[ref]Deze mythe werd door uiteenlopende wetenschappers, van Bourdieu over Cicourel tot Bruner, grondig bekritiseerd. Zie voor een synthese Jan Blommaert & Fons van de Vijver (2013), “Combining surveys and ethnographies in the study of rapid social change”, Working papers in Urban Language and Literacies paper 108.[/ref]  Concreet: men dacht dat deze steekproef van de bevolking in haar discussies volledig vrij en onbelemmerd nieuwe en innovatieve standpunten zou vormen. Quod non. Waarom niet? Omdat zowat alle methoden die werden gehanteerd uitgingen van deze mythe.

Zo mochten de deelnemers “zelf” online thema’s voorstellen. Op die wijze kwam men tot een “grassroots” lijst, een lijst die volkomen vrij was geschapen, maar die bij nader toezien zeer conventioneel was: de lijst was eenvoudigweg een weerspiegeling van de thema’s die het mainstream maatschappelijk debat beheersen[ref]De citaten die volgen komen uit het verslag van de G1000, en de cijfers tussen haakjes geven de pagina’s uit het verslag weer. Het verslag is te vinden op http://www.g1000.org/documents/G1000_NL_Website.pdf[/ref]:

“Tijdens de eerste fase, de online-consultatie, werden een paar duizend ideeën gedeponeerd en hebben andere bezoekers deze geëvalueerd om tot een top25 te kunnen komen. Over deze top 25 werd publiekelijk gestemd via het internet wat leidde tot drie overgebleven thema´s: de sociale zekerheid, de verdeling van welvaart in tijden van crisis en immigratie”. (44)

Niet meteen buitengewoon outside of the box, dit lijstje. Maar er waren ook “originele” zaken:

“Enkele originele voorstellen die aan het denken zetten: geen kindergeld maar kindercheques (24% van de stemmen omtrent kinderbijslag), gegarandeerd basisinkomen voor iedereen (15% van de stemmen omtrent werkloosheid) en kleinere verpakkingen voor geneesmiddelen (21% van de stemmen omtrent gezondheidszorg).” (45)

Ook hier heb ik een zeer sterk déja vu gevoel: hier noemt men “origineel” datgene wat in het publieke debat (en dus ook statistisch) een minder dominante plaats inneemt. Van bijzonder belang voor de organisatoren was echter dat de deelnemers blijk gaven van redelijkheid:

“Deze eerste tussentijdse resultaten liegen er niet om: burgers die met elkaar in dialoog treden, zijn in staat om verstandig en genuanceerd te redeneren in functie van het algemeen belang.” (45)

Bij wijze van voorbeeld:

“Bij de prioriteiten over een delicaat onderwerp als immigratie wordt gestemd voor het verlangen naar inburgering (integratieplicht, 31%), gekoppeld aan de eis voor snelle procedures & objectieve criteria (26%) en een oproep tot betere integratiemogelijkheden (21%) en meer ontwikkelingssamenwerking (20%). Radicale ideeën zoals ‘vreemdelingen buiten’ of ‘alle grenzen open’ worden niet collectief bijgevallen.” (45)

Merk terloops op hoe de organisatoren (niet de deelnemers, nemen we aan, want dit is een analytische observatie), bepaalde thema’s als “delicaat” bepalen – waarbij de meetruimte eenvoudigweg alweer het mainstream publieke debat is – alsook bepaalde standpunten als “origineel”, “gematigd” dan wel “radicaal” bestempelen. Het vermijden van “radicale” standpunten wordt tevens gezien als “verstandig” en “genuanceerd”. Middenposities in het mainstream debat krijgen hier ook prompt hun mainstream etiketten. De grenzen van the box doemen overal op, de kleuren ervan eveneens.

Zaak is dat in de G1000 een reeks naïeve uitgangspunten werden gehanteerd over de mens, over menselijke kennis en de maatschappelijke context waarin die verworven wordt en circuleert. Mensen zijn niet onbezoedeld, ze zijn door-en-door verzadigd met dominante vertogen, beelden en argumenten.[ref]Ik ben niet de enige die dit beweert of aantoont, maar mijn visie daarop is terug te vinden in Ik Stel Vast, p.132-137, Berchem: EPO 2001.[/ref] En gevraagd naar een “authentiek” en “geheel eigen” standpunt krijgt men derhalve echo’s, desnoods lichtjes vervormd, van die dominante vertogen, beelden en argumenten. En zo vervaardigde deze lovenswaardige oefening in “deliberatieve democratie” een argumentatieve eenheidsworst, waarin kindercheques en kleinere verpakkingen voor geneesmiddelen als opmerkelijk creatieve gedachten opvallen. De G1000 – ik benader het nu even vanuit een “radicaal” politiek jargon – was een oefening in politieke status-quo.

In dit soort oefeningen worden mensen als geïsoleerde individuen inzake politieke argumenten en standpunten beschouwd. Men meent de authentieke en representatieve waarheid te kunnen vernemen via een steekproefmethode die meteen ook alle eigenschappen van de echte communicatie- en informatiewereld van echte mensen wegdenkt. Met dit soort oefeningen denk ik niet dat we onze democratie veel verder helpen. Het kan ons een goed gevoel geven dat wij het nu zijn die dezelfde dingen zeggen als onze media en beleidsmensen, dat zij ons dus prima vertegenwoordigen. En de politiek zal wellicht niet ontevreden zijn over het feit dat die vrije en onbeïnvloede democratische mens hetzelfde herhaalt van wat media en beleidsmensen hebben voorgezegd. Meer nog: cynische media- en beleidsmakers zullen dit zelfs zien als een prima middel om hun macht en hegemonie verder te verstevigen: laat mensen denken dat ze jouw standpunt zelf hebben bedacht, en jij hebt het voor het zeggen.

De belofte van nieuwe communicatietechnologie

In onze tijd doet zich een verstrekkende verandering voor die welzeker democratische belofte inhoudt. Wat is die verandering? Simpel: de huidige generatie stemgerechtigden is de hoogst opgeleide uit de hele geschiedenis. En ze heeft tevens op ruime schaal toegang tot een historisch volkomen unieke reeks nieuwe kennistechnologieën en –instrumenten die we kunnen samenvatten onder de gebruikelijke term internet. Deze generatie heeft dus voor het eerst in de geschiedenis de mogelijkheid om soeverein kennis en deskundigheid te verwerven, te produceren en te verspreiden. Op die manier is dit de eerste generatie die dat oude Verlichtingsideaal kan waarmaken: het ideaal van de mens die vrij is, omdat hij/zij volkomen zelfstandig de nodige kennis kan verwerven om een eigen standpunt over de werkelijkheid te bepalen. Eenvoudig samengevat heet deze mogelijkheid: de kans tot emancipatie. Elke Westerse politicus zou dit moeten bejubelen, want het was ooit het streefdoel van zowat alle moderne politieke bewegingen.

Een mens met een gemiddeld opleidingsniveau is nu in staat om zelfstandig de mainstream van de informatie te verlaten en zelf op zoek te gaan naar alle mogelijke informatie, van eenvoudig tot uiterst geavanceerd, en dit over ongeveer ieder denkbaar thema. Het manifest van Anders Breivik – 1600 pagina’s teksten en informatie over het vervaardigen van wapens, militaire technieken en zo meer – is een weliswaar triest en zeer negatief voorbeeld van het potentieel hiervan. De opstoot van nieuwe internetmedia (zogeheten “micromedia”), het succes van sociale media, en de toenemende invloed van “crowdsourcing” in de nieuwsgaring – mensen die incidenten filmen met hun smartphones en die op het internet verspreiden – is er een meer positieve dimensie van. Individuen en kleine ongebonden groepen van mensen hebben nu mogelijkheden die een goede eeuw terug enkel voor figuren als William Randolph Hearst beschikbaar waren: het opzetten van een eigen netwerk voor de productie en verspreiding van kennis en deskundigheid – het betreden van het publieke forum, dus, en het scheppen van een deskundige stem daarbinnen. Het potentieel hiervan is enorm, zowel ten goede als ten kwade – Breivik toont dat laatste. Maar wie er goed mee wil doen kan meer en beter doen dan ooit tevoren.

Niet alleen de toegang tot deze kennis en deskundigheid en tot het vormen van nieuwe gemeenschappen en netwerken is effectief gedemocratiseerd; ook de kennis om dit te doen zelf is niet langer meer het monopolie van zeer hooggeschoolde technici geconcentreerd in militaire of academische instellingen. Meer nog, de grootste en wereldwijde politieke shock to the system van dit decennium had precies daarmee te maken: Wikileaks in zijn diverse vormen, met Julian Assange, Edward Snowden en het wereldwijde activistencollectief Anonymous als onopvallende maar zeer effectieve “hackers”, in staat om sommige van de meest explosieve internationale geheimen in handen te krijgen en wereldwijd zeer beveiligde servers en netwerken lam te leggen.

Deze condities zijn nieuw. We vergeten dat snel, en zo vergeten we ook het enorme potentieel dat ze in zich dragen en de verregaande veranderingen die ze in de samenleving veroorzaken. Het Internet is ongeveer 20 jaar oud in dit land; mobiele telefonie dateert van 1996; en Facebook viert dit jaar zijn tienjarig bestaan. In die zeer korte periode zijn deze instrumenten massaal gegroeid qua gebruik en toegang. Facebook bijvoorbeeld, zag het aantal Belgische gebruikers stijgen van ongeveer 2 miljoen in 2009, tot ca 5,5 miljoen in 2013. Dat betekent dat in de aanloop naar de verkiezingen van mei 2014 dubbel zoveel mensen Facebook gebruiken voor discussie en groepsvorming omtrent hun stemintenties, dan bij de vorige verkiezingen in 2010, en dat dit zonder twijfel effecten zal hebben. Dat is meteen ook de reden waarom politieke partijen zwaar investeren in sociale media als campagne-instrument (N-VA op kop, met een inzet van 300.000 Euro voor de precampagne alleen).

Maar ook actievoeren wordt op deze manier goedkoop en effectief. Een lokaal Vlaams voorbeeld is instructief. Op Valentijnsdag 2014 kondigde de Vlaamse Regering aan dat ze voor de heraanleg van de Antwerpse ring – de Oosterweelverbinding – alsnog een “verbeterd” BAM-tracé zou volgen. Dat traject volgt de huidige ring en loopt dus dwars door ontzettend dicht bevolkte stadsgebieden, die vaak ook arme en kwetsbare wijken zijn. En dat tracé werd in oktober 2009 door de meerderheid van de Antwerpenaren weggestemd in een geldig referendum. Het protest lag dan ook voor de hand: de democratische legitimiteit van de Vlaamse Regering heeft een zoveelste knauw gegeven.

De actiegroepen rond Oosterweel – stRaten-generaal en Ademloos – zijn een prima voorbeelden van een nieuwe vorm van sociaal activisme dat de nieuwe technologische middelen uitgebreid aanwendt. Deze aanvankelijk kleine groepjes van vrijwilligers hadden geen noemenswaardig kapitaal, en evenmin een geprivilegieerde toegang tot de gremia van de zeer geavanceerde kennis. Ze hadden toegang tot middelen die een zeer groot deel van onze samenleving thans bezit: een internetverbinding, een degelijke PC en een smartphone. Zowat alle kennis en deskundigheid die door deze actiegroepen werd verworven verliep (a) via zelfstudie van hoofdzakelijk elektronisch toegankelijke bronnen, en (b) via contacten en netwerken die via deze nieuwe communicatiemiddelen tot stand werden gebracht. Zowel nationaal als internationaal konden deskundigen van allerlei pluimage worden gecontacteerd en verzocht om medewerking; fysieke vergaderingen waren daarvoor niet altijd nodig, want zeer veel kan worden gedaan via Skype, email en andere kanalen.

Het gaat hier immers om deskundigheid die via “crowdsourcing” wordt vergaard: vrijwillig en vanuit allerhande hoeken brengen individuen brokjes kennis en deskundigheid bijeen, die samen een formidabel geheel beginnen te vormen dat opweegt inzake radius en diepgang tegen datgene wat door professionele studiebureaus, overheden en consulenten wordt gedaan. Een collectief van artsen brengt medische expertise aan; academische geografen en planners wijzen na hun werkuren op belangrijke studies uit hun vakgebied, marketingprofessionals geven snel een paar handige communicatietips, enkele ingenieurs bekijken de studies van de overheid, een sympathiserend studiebureau voert kosteloos een simulatie uit, en zo voort. Er ontstaat op die manier een grassroots kennis- en deskundigheidscollectief, dat gratis en op vrijwillige basis samenwerkt om een evenwaardige tegenstem in het publieke debat te verzorgen, en om die tegenstem daarnaast ook nog eens als leeromgeving aan te bieden aan de bredere bevolking – die hierbij vanzelfsprekend ook alles te winnen heeft.

Een verbeterde democratie

Het resultaat daarvan kennen we: een beweging die er professioneel uitziet, uiterst deskundige commentaren, standpunten en alternatieven ontwikkelt, en zo weigert zich te laten muilkorven door de superieure deskundigheid die traditioneel in een enkele hoek ligt: die van de macht. Er ontstaat een effectieve en efficiënte tegenmacht. Dit zijn plots geen simpele lieden uit de buurt meer, maar tijgers in het publieke debat die de tegenstander dwingen tot de grootste voorzichtigheid en omzichtigheid – en tot de meest verregaande vorm van democratische dialoog, niet slechts over de hoofdlijnen van een plan, maar over de fijnste nuances ervan.

Het ziet er professioneel uit maar toch is het grassroots, spontaan en gebaseerd op een vrijwillige samenwerking van ongebonden burgers. Het is dus voluit democratisch in zowat de puurste zin van het woord: het volk dat de beschikbare middelen aanwendt om de plannen van haar overheid nauwgezet te onderzoeken, en ze deskundig te bekritiseren wanneer dat nodig is. Het is een geëmancipeerde democratische beweging, die voor haar kennis en deskundigheid niet meer afhangt van de goodwill van kennismonopolisten – de overheid, het kapitaal, de academische wereld, de media – maar die deze zelf en zonder dwang of invloed van anderen opzoekt, verzamelt, onderzoekt en verspreidt.

Wie outside of the box participatie van de democratische burger wenst zal deze dan ook eerder vinden in dit soort initiatieven dan bij de G1000. Het aangeboden alternatief, het Meccano-tracé, bijvoorbeeld, was een ferm staaltje outside of the box denken, dat van onder uit de samenleving – de actiegroepen – naar het publieke forum werd gebracht. Het is een kennisprestatie van jewelste die professioneel is qua vorm en inhoud, maar volledig vanuit het maatschappelijke middenveld is opgebouwd. De kennis is gratis, een common good dus, en is voor iedereen toegankelijk. En iedereen heeft de mogelijkheid er op z’n beurt elk aspect van te controleren en te verifiëren.
De reactie van de politiek is veelzeggend. De coalitiepartners uit de Regering hadden de handen vol om tegen de actiegroepen enig verweer te organiseren. De Antwerpse lijstrekker van de Sp.a (de Vlaamse sociaaldemocraten red.) voor de verkiezingen van mei 2014, Caroline Gennez, liet haar gedachten gaan in een opiniestuk in De Morgen, getiteld “Wat Oosterweel ons leert over participatie”. In dat stuk mijmert Gennez over de best mogelijke vorm van inspraak in dergelijke aangelegenheden, en ze breekt een lans voor wat ze “deliberatieve democratie” noemt. Terwijl ze dat doet, haalt ze echter uit naar de actiegroepen die voor en na het referendum het verzet tegen het BAM-tracé hadden geleid. En zo doende distantieert ze zich van het referendum en z’n uitslag. Haar tekst is overigens uitdrukkelijk bedoeld om “de effecten van de volksraadpleging te evalueren”. Ik citeer:

“We moeten toegeven dat er binnen Oosterweel van echte participatie nooit sprake is geweest. Niet vanuit de beleidsmakers die enkel maar konden vaststellen dat actiegroepen als paddenstoelen uit de grond schoten en zich tegen hun beslissingen keerden, maar evenmin vanuit actievoerders zelf, die uiteindelijk meer weg hadden van professionele studie- en communicatiebureaus dan van spontane burgerinitiatieven.”

Ik blijf het vreemd vinden dat Gennez en anderen dit soort nieuw democratisch activisme verdacht vinden. Maar ik kan me inbeelden dat ze als politici-met-een-plan liever tegenover “spontane” en “representatieve” burgergroeperingen gaan staan, die op grond van niet verder verifieerbare informatie “redelijke argumenten” zullen ontwikkelen die dan leiden tot “positieve besluitvorming”. Deze “spontane” burgergroeperingen zullen, als het erop aankomt, de duimen moeten leggen voor de autoriteitsargumenten van de overheid, die de deskundigheid over het thema monopoliseert. Erover praten is prima, maar beslissen, dat doet de politicus nog altijd het liefst alleen. Gennez zegt: “mensen moeten het gevoel hebben dat ze kunnen wegen”. En Yasmine Kherbache (eveneens Sp.a) vult daarbij aan, in een zin krom van de newspeak:

“Wij delen de vele bekommernissen, maar we willen de mensen niet naar de mond praten. Dat is niet de taak van de politiek. In plaats daarvan willen we goed naar hen luisteren en samen zoeken naar de beste oplossingen.”

Vooreerst is goed luisteren is nodig. Mensen moeten het gevoel krijgen dat de politicus luistert. Maar de politicus hoeft hen niet te volgen, hen niet “naar de mond te praten”, want “dat is niet de taak van de politiek”. Wel “samen zoeken naar de beste oplossingen”.

Het paternalisme in deze uitspraken is pijnlijk en stuitend. Het staat immers haaks op wat een hedendaagse democratie zou kunnen zijn: een systeem waarin volk en leiders als evenwaardige partners in een dialoog treden, en waarin dat volk die oude waarheid uit de Verlichting uitdraagt: dat elke regering gewantrouwd moet worden door iedereen die zich een democraat noemt, zonder dat er tussen volk en leiding een vijandschap bestaat. Het wantrouwen heet de democratische controle, de plicht van elke burger om het beleid van z’n leiders kritisch te volgen, er zich over te informeren, erover te leren, en het pas dan te beoordelen wanneer men het volledig begrijpt. Als eerste generatie in de menselijke geschiedenis hebben wij de echte mogelijkheid om dit volledige begrip van beleid zelfstandig en zonder manipulatie te bereiken. Dat lijkt me een belangrijke stap in de democratisering van onze samenleving.

Deze nieuwe vorm van democratisch activisme kan nog een gunstig effect hebben: het kan de arrogante twee-maten-en-twee-gewichten wegtoveren, die zo graag worden gehanteerd door politici wanneer ze het hebben over de wijsheid van hun volk. Wanneer de burger zich in de verkiezingen heeft uitgesproken voor een bepaald politicus, dan horen we onveranderd dat die burger verstandig is geweest, duidelijk, rationeel, prima geïnformeerd, de juiste redenen had, en een zeer heldere boodschap aan de politieke wereld heeft gegeven. Spreekt diezelfde burger zich echter kritisch uit over de politicus, dan hoort men – zie Gennez en haar Sp.a strijdkrachten eerder in dit stuk – dat de burger niet goed op de hoogte is, niet precies weet waarover het gaat, een beperkte blik heeft op de zaken, of het slachtoffer is geworden van “slechte communicatie” vanwege de politicus (die daarvoor nederig de verwijten aanvaardt).

Dat burgers in beide gevallen zowel uitstekend op de hoogte als geheel niet op de hoogte kunnen zijn, dat ze in beide gevallen zowel slim en dom kunnen optreden, dat is dichter bij de feiten. Wanneer burgers niet akkoord gaan met bepaalde maatregelen, dan is dat vaak echter niet omdat die maatregelen “ongelukkig gecommuniceerd” zijn – neen, dan is het omdat die maatregelen fout of ongewenst zijn, en zelfs perfecte communicatie zal dit niet veranderen. Hoe meer die burger surft, Googlet, alternatieve media leest, discussiefora over politieke thema’s bezoekt, en in dit alles een “meerwaardezoeker” wil zijn – hoe minder het argument van “ongelukkige communicatie” ertoe zal doen, en hoe meer de kritiek op inhoudelijke gronden zal moeten worden aanvaard. Dit schept een veel lastiger en meer veeleisende burger, geen kiesvee zoals weleer. En dit maakt de rotklus die politiek in wezen is nog lastiger. Maar het maakt onze democratie stukken beter.

Tags: , ,

Nog geen reacties.

Reageer