Occupy: zoektocht naar een gebruiksaanwijzing

H et is vreemd om in de verleden tijd over een sociale beweging te schrijven terwijl de door haar aangekaarte thematiek nog steeds het dagelijkse nieuws bepaalt. Grofweg twee jaar geleden begonnen de protesten. Vier jaar zijn er voorbij sinds het begin van de financiële crisis. Sindsdien is er niets wezenlijks veranderd. De financiële industrie is niet gereguleerd. De corruptiepraktijken van de ratingbureaus, de hypotheekverschaffers, de investeringsbanken en de handelaren op de complexe obligatiemarkten werden (goeddeels) niet bestraft. De concentratie van financieel kapitaal in banken met het predicaat too big to fail is alleen maar verder toegenomen. En de crisis duurt onverminderd voort, nu de schuldenlast verplaatst is van de boekhoudingen van banken naar die van nationale overheden, die op hun beurt de schulden weer afwentelen op de bevolking. Doorheen dit hele proces bleef de machtspositie van de financiële sector onaangetast. Zij dirigeert via de onrust op de kapitaalmarkten het fiscale beleid van overheden zoals nooit tevoren.

I Een kapotte batterij

Gezien deze context is het te vroeg om Occupy naar de vuilnisbelt van de geschiedenis te verwijzen. Een andere metafoor is op zijn plaats. In De Achttiende Brumaire van Louis Bonaparte (1852) schrijft Karl Marx over de revolutie als een mol die onopgemerkt ondergronds zijn tunnels graaft, om op de geëigende momenten weer boven te komen: ‘Wij herkennen onze oude vriend, onze oude mol, die zo goed ondergronds weet te werken, om plots te verschijnen.’ Los van het vaststaande historische patroon dat Marx met zijn aloude vriend de mol associeerde, kan Occupy op vergelijkbare wijze worden begrepen: als een georganiseerde onvrede die zich overwegend ondergronds bevindt, om bij tijd en wijle de kop op te steken.

Zo verschenen recent de Occupy-activisten uit New York en omstreken weer op de schermen van de mainstreammedia. De hulpvoorziening in de nasleep van de orkaan Sandy is op vele plekken op autonome wijze door de netwerken van de Occupy-beweging georganiseerd. Verder zijn de Spaanse Indignados – een van de voorlopers van de Occupy-beweging – nog steeds actief en breidt hun werkterrein zich zelfs uit. Vrij recent werd een algemene staking uitgeroepen door een samenwerkingsverband van Spaanse, Italiaanse en Griekse vakbonden. Miljoenen gingen de straat op. Berichten van de dood van Occupy zijn dan ook enigszins overdreven.

Duidelijk is daarentegen dat Occupy als protestvorm – gekenmerkt door openbare vergaderingen en de bezetting van pleinen – aan haar einde is gekomen. Het is de vraag wat ervoor in de plaats gaat komen, of anders gezegd: wanneer de mol weer aan het oppervlak verschijnt. Sociale bewegingen zijn wat dat betreft te vergelijken met financiële crises: het zijn dermate vertakte en gelaagde structuren, dat het moeilijk is te bepalen waar de ene beweging begint en de andere eindigt.

Wat mijn eigen politieke parcours betreft is het niet veel anders. Op twintigjarige leeftijd reisde ik af naar Praag, om met tienduizenden demonstranten een topoverleg van het IMF plat te leggen. Destijds zagen wij dat instituut, samen met de Wereldbank en de WTO, als een autoritaire macht die derdewereldlanden een neoliberale agenda oplegde. Een destructieve mix van deregulering, liberalisering en privatisering. Mijn studententijd ging op aan het uitwerken van deze kritiek, waarmee ik naar hartenlust mijn professoren bestookte. (‘Dat is ook een perspectief’, was altijd het depolitiserende antwoord.)

Het ligt in de lijn der verwachting dat je op latere leeftijd het politieke engagement de rug toekeert als een hopeloos geval van jeugdige onbezonnenheid. Dat is althans de cynische erfenis van de babyboomgeneratie, terug te lezen in de typerende boeken met weemoedige titels als Alles Moest Anders en Wij Wereldverbeteraars. Een dergelijke bekering is uitgebleven in mijn geval. Sterker nog, de huidige financiële crisis is eerder een trieste bevestiging van het toenmalige gelijk, een vreemde herhaling van waar we destijds tegen te hoop liepen. Al gaat het nu om de eigen samenleving die onder het mes is komen te liggen in plaats van een verafgelegen derdewereldland.

Een nieuw technologisch apparaat?

Op vergelijkbare wijze is veel van de interne problematiek die de globaliseringsbeweging kenmerkte, opnieuw terug te vinden bij Occupy. De plotselinge opkomst en ineenstorting van de beweging doet denken aan een commentaar van de Italiaanse filosoof Paolo Virno. Na de protesten in Seattle en Genua karakteriseerde hij de globaliseringsbeweging als een kapotte of half functionerende batterij. Een apparaat dat zich oplaadt, energie verzamelt, maar niet kan vasthouden; alles ontlaadt zich in een klap. Virno vroeg zich af of de beweging een nieuw technologisch apparaat had ontwikkeld, machtig en geraffineerd, waarvan we alleen vergeten waren de gebruiksaanwijzing door te nemen.

De relevantie van deze zienswijze is dat we vaak geneigd zijn de kracht van sociale bewegingen te relativeren. Omdat ze in vergelijking met de ambitieuze doelen (directe democratie) en hooggestemde idealen (horizontale besluitvorming) bijna per definitie teleurstellen. Niettemin oefenen ze grote invloed uit. De andersglobaliseringsbeweging was ondanks haar fragmentatie en verscheidenheid in staat om de publieke legitimiteit van mondiale instituties als de IMF en de Wereldbank op succesvolle wijze te ondermijnen. De onderhandelingsrondes van de WTO over de verdere liberalisering van de wereldhandel (en privatisering van de publieke sector) kwamen stil te liggen. Op vergelijkbare wijze is het opmerkelijk waartoe ‘het apparaat’ Occupy in staat is gebleken. Een beweging met een actieve en zichtbare kern van hoogstens enkele tienduizenden activisten blijkt op mondiaal niveau het medianarratief over de financiële crisis een andere richting op te kunnen sturen. Teleurgestelde verwachtingen over het uitblijven van politieke verandering daargelaten is dat nog steeds een opmerkelijk gegeven.

Opvallend aan deze bewegingen is dat zij zich voornamelijk op symbolisch vlak manifesteren: er is geen duidelijke basis aan de universiteit, zoals bij de studentenbeweging; op de werkvloer of in de politieke instituties, zoals bij de arbeidersbeweging van weleer; of in de buurt, zoals bij de kraakbeweging. De dimensie van symboliek en media, zo stelt Virno, is tegelijkertijd een begunstigende factor en een limiet. Enerzijds heeft deze nadruk op symboliek de accumulatie van energie mogelijk gemaakt; anderzijds heeft het de toepassing daarvan gehinderd of uitgesteld. In het geval van Occupy ontbreekt het nog steeds aan concrete institutionele structuren en projecten, een duurzame vorm waarin activiteiten kunnen worden voortgezet.

De kracht van Occupy

We zijn vertrouwd met de tekortkomingen van Occupy: het op voltijdse basis onderhouden van een kampement vergde op lange termijn een onhoudbare hoeveelheid energie. Het functioneerde tevens als selectiemechanisme: de mensen met de meeste vrije tijd waren veelal degenen met de markantste persoonlijkheden. Bij Occupy Amsterdam stond een man met een indianentooi de media te woord. Andere, al even kleurrijke types lieten weten dat het antwoord op de crisis in onszelf te vinden was. Het gevolg was dat Occupy in Nederland binnen de kortste keren door weinigen meer serieus genomen werd. Het werd een mikpunt van spot. In New York kende Occupy vergelijkbare problemen, maar de betrokkenheid van een kritische massa van studenten en ervaren activisten tilde het geheel een aantal niveaus hoger. Een ander lastig punt was de radicale openheid van de kampementen. Het handhaven van de openbare orde werd op een gegeven moment een taak op zich. De dakloze stadsbevolking zocht al snel toevlucht tot het kampement, met als gevolg dat Occupy-activisten zich ontpopten tot sociaal werker of ‘sfeerbeheerder’. De instandhouding van het kampement, voorheen een protestmiddel om de financiële crisis op de politieke agenda te krijgen, werd nu een doel op zich. Voorts leidde de openheid van de vergaderingen tot politieke verlamming. Na urenlang discussiëren over prozaïsche kwesties als de plaatsing van een chemisch toilet, is er weinig puf om nog te spreken over de mondiale economische crisis. Het gebrek aan consensus over concrete politieke eisen maakte het onmogelijk voor de beweging om haalbare kortetermijndoelen te formuleren: het gevolg was een mobilisatie die bijna per definitie in teleurstelling moest eindigen.

Deze zwaktes hebben we van dichtbij mogen meemaken. Waarin schuilt echter de symbolische kracht van Occupy? De Amerikaanse mediafilosoof McKenzie Wark schreef al eerder over het merkwaardige abstracte karakter van Occupy. Door de digitalisering van de handel op financiële markten is Wall Street grotendeels verworden tot een abstractie, een serie van enen en nullen die heen en weer schieten over mondiale computernetwerken. Hoe kun je demonstreren tegen digitale kapitaalstromen? Het antwoord aldus McKenzie Wark, is door er een eigen abstractie tegenover te plaatsen: het kamp met haar algemene vergadering in het bezette Zuccotti Park. Natuurlijk kende het kampement een materiële presentie, maar de symbolische kwaliteit ervan was veel belangrijker. Voor de aan Occupy gelieerde antropoloog David Graeber was de radicale inclusiviteit van het kampement een vorm van ‘prefiguratieve politiek’. Het is de verbeelding in miniatuur van de gedemocratiseerde samenleving waar de beweging naar streeft. De zo onpraktische radicale openheid van de vergaderingen en de kampementen was in deze visie tegelijkertijd haar scherpste kritiek op het gebrek aan democratie in de institutionele politiek. Het gaf iedereen die participeerde aan Occupy een idee hoe het voelde om daadwerkelijk een stem te hebben. Waardoor het besef van stemloosheid in de institutionele politiek verder werd aangescherpt.

Van verbeelding naar realiteit

Het probleem van deze visie is dat ze enkel productief is als de eigen symboliek niet al te letterlijk genomen wordt. Een theatrale enscenering van directe democratie als vorm van systeemkritiek kan een katalyserende werking hebben. Kritiek op Wall Street en de verrotte Amerikaanse partijdemocratie toont zich dan aan de hand van een concrete uiting van een democratisch verlangen. Zodra het protestmiddel echter een doel op zich wordt: een reële poging om binnen het kampement een miniatuur van een direct democratische samenleving op te bouwen, dan loopt het mis. Voor de betrokken kunstenaars was het een spannend politiek-esthetisch experiment, een utopische samenleving op viskomformaat. Occupy toonde zo de potentie van een kunstzinnig engagement, de juiste uitingsvorm werd echter nog niet gevonden. De onvermijdelijke tragische afloop was enigszins vergelijkbaar met Lars von Triers film Dogville (2003). Het verlangen naar een zuivere, onbedorven gemeenschap sloeg uiteindelijk om in haar tegendeel. En de politieke betekenis van Occupy als interventie in het maatschappelijke debat, als verbeelding van een breder levend democratisch verlangen verdween uit beeld. Uit persoonlijke ervaring kan ik bekennen dat na drie uur vergaderen over procedurele zaken of een detailkwestie als de vuilnisopslag, het enthousiasme over fundamentele democratisering aanmerkelijk bekoeld is. Sterker nog, de uitbesteding van besluitvorming aan een politieke elite wordt plots weer een wenkend perspectief. Hetzelfde geldt voor het beroep op consensusbesluitvorming dat ingebakken lijkt te zijn in de direct democratische organisatiepraktijk. Het heeft alleen een democratisch potentieel als verbeeldende kritiek richting het huidige politieke systeem. Met andere woorden: als een vorm van dissensus. Wordt consensusbesluitvorming echter serieus genomen als maatschappelijke oplossing voor politieke participatie, dan krijgt het een zeer ondemocratisch en dystopisch karakter: wie wil er nou in een maatschappij leven waar iedereen wordt gedwongen het met elkaar eens te zijn? Na drie uur onderhandelen stem ik in met elke persoon die van het binnenhalen van een zeker agendapunt een levensmissie heeft gemaakt. Consensus leidt tot het verbloemen van politieke tegenstellingen: juist datgene waar we de postpolitieke parlementaire orde van betichten.

Dezelfde contradicties zien we terugkeren in de discussies over de 99 procent-slogan van Occupy. Het motto we are the 99 percent schijnt (ik zeg schijnt, want de oorsprong ervan is betwist) te zijn geïnspireerd door een Vanity Fair-interview met de econoom Joseph Stiglitz, getiteld: ‘Of the 1 percent, by the 1 percent, for the 1 percent.’ In het interview stelt Stiglitz dat de Amerikaanse economie ten dienste staat van een kleine groep van superrijken. Die stelling werd recent onderbouwd door een rapport van de Congressional Budget Office uit 2011, waaruit blijkt dat het inkomen van de rijkste 1 procent van 1979 tot 2007 explosief gegroeid is, met gemiddeld 275 procent. En dat terwijl de andere 99 procent van de Amerikaanse bevolking er nauwelijks op vooruit is gegaan (en er in relatieve termen zelfs op achteruit is gegaan). Binnen Occupy is er veel discussie geweest over de claim dat zij de 99 procent van de bevolking zou representeren. Het lijkt een paradoxale tegenstelling. Hoe kan een beweging die zich uitspreekt voor directe democratie en zich keert tegen politieke representatie, tegelijkertijd beweren te spreken voor 99 procent van de bevolking? Ironisch genoeg is het precies het directe democratische karakter, de afkeer van politieke representatie en de afwezigheid van concrete eisen, die het voor Occupy mogelijk maakten om een representatieve claim te maken. In die zin is Occupy zelfs een populistische beweging: ze beroept zich op het volk, dat zich schuilhoudt achter een abstract percentage. Zo moeten we ook Jodi Dean haar interpretatie lezen over Occupy als toonbeeld van strijd tussen volk en kapitaal. In deze klassieke politiek, zo is mijn stelling, ligt de geraffineerde kracht van het apparaat Occupy besloten: het vermogen tot articulatie van het volk.

Merijn Oudenampsen is socioloog en politicoloog. Hij is als promovendus verbonden aan de Universiteit van Tilburg, waar hij onderzoek doet naar rechtspopulisme.

Tags: ,

TENK is een voertuig voor kritiek en analyse. Het biedt ruimte voor een overtuigd linkse blik op onze wereld, en wil zo bijdragen aan een nieuwe politieke debatcultuur. Want linkse politiek is verwaterd. Als een aangelengde limonade zonder kleur, geur of smaak is het de laatste jaren steeds verder verdund met wisselende doses technocratie, pragmatisme en centrisme.

Nog geen reacties.

Reageer