‘Ralph Miliband haatte zijn land': Een vreemd maar nuttig debat

B egin oktober 2013 brak een wat vreemde rel uit in Groot-Brittannië. Het was het seizoen van de grote partijcongressen, en het congres van Labour – geleid door Ed Miliband – werd algemeen als een succes beschouwd. De rechtse Britse pers gaf dan ook tegengas. The Daily Mail publiceerde een artikel waarin de vader van de Labour-leider, Ralph Miliband, gekruisigd werd als een landverrader, iemand die Groot-Brittannië naar de hel wenste. Miliband had ooit in zijn dagboek geschreven dat hij de Britten een rabiaat nationalistisch volkje vond; en in zijn geschriften had hij zich herhaaldelijk laatdunkend uitgelaten over de grote Britse politieke en sociale instellingen. Nog erger was echter dat Ralph Miliband een radicaal Marxist was, iemand die Engeland dus tot een Stalinistisch werkkamp wou omvormen. En dat verklaarde dan meteen waarom zijn zoon met recht en reden “Rooie Ed” mocht genoemd worden: de Stalinistische strategie was hem met de moedermelk ingegeven.

Ed Miliband reageerde heftig, en er ontstond niets minder dan een oorlog tussen Labour en de Britse tabloidjournalistiek. Inmiddels, weken later, gaat die oorlog nog altijd voort. Terwijl het debat natuurlijk wat van z’n heftigheid heeft verloren, is het inmiddels uitgegroeid tot een waar links-rechts gevecht waarin grootheden van weerskanten (denk aan Theodore Dalrymple versus Tariq Ali) zich moe maken. Inmiddels, en dat is pure winst natuurlijk, is de belangstelling voor het werk van Ralph Miliband spectaculair gestegen – wie bij Amazon boeken van hem wil bestellen moet twee keer zo lang wachten als normaal.

De kernvraag

Dit debat gaat over een heel interessante vraag: zijn Marxisme en socialisme goed voor de samenleving? Concreter in dit bewuste geval: had een linkse rakker zoals Ralph Miliband het beste voor met Groot-Brittannië?

In dit debat neemt de rechterzijde vaak en snel de positie in van het historische gelijk: Fukuyama achterna, wordt er verklaard dat socialisme voor eens en voor altijd zijn nutteloosheid heeft bewezen toen de Sovjetunie ineenklapte, en dat elke vorm van Westers socialisme evengoed nergens toe heeft geleid. Socialisme is een boodschap uit het verleden, en daarmee uit. Dat maakt dan ook meteen het standpunt van zoon Ed en z’n Labour partij anachronistisch en idioot: wie vandaag nog socialisme bepleit, die is de pedalen kwijt.

Deze rechtse mantra wordt weerlegd, interessant genoeg, door vaak zeer lucide analyses van Ralph Milliband als een atypisch socialist. En op die manier krijgen we plots, in een tijdsgewricht waarin dit soort kansen niet voor het grijpen liggen, een bijzonder stimulerende dialoog over de brede waaier van benaderingen die onder het etiket ‘socialisme’ schuil gaan. Dat, kameraden, is een nuttig debat.

Wie was Miliband?

Een eerste reden waarom Miliband als socialist uit de band springt is zijn levensloop. Inmiddels is bekend geworden dat Ralph Milibands vader met zijn gezin vanuit Oost-Europa naar Brussel emigreerde, en dat Ralph daar in 1924 als joodse Belg geboren werd. Het avonturenverhaal van de vlucht naar Groot-Brittannië is inmiddels ook voldoende bekend – vader en zoon raakten op het laatste schip naar Engeland terwijl de Duitse troepen in mei 1940 door België rolden. Ook het feit dat Ralph tijdens de oorlog dienst nam bij de Belgische sectie van de Royal Navy, en zo deelnam aan de landing in Normandië, is bekend. Miliband behoorde tot die miljoenen vrijwilligers die zich tijdens de oorlog verbeten met de wapens tegen de Nazi’s keerden.

De eigenaar van de Daily Mail, daarentegen, stond destijds aan de verkeerde kant. De reactionaire Lord Rothermere liet zich in de pagina’s van zijn krantje uitdrukkelijk lovend uit over de fascistische zwarthemden van Mosley, en Rothermere flirtte openlijk met Hitler. De vraag wie nu echt de landverrader was, is achteraf dan ook niet moeilijk te beantwoorden.

Na de oorlog werd Miliband docent aan de London School of Economics, de plaats van waar Hayek zijn neoliberale economie had ontwikkeld. Als student van Harold Laski ontpopte hij zich tot een briljant lesgever die op handen werd gedragen door zijn studenten (incluis studenten die men bezwaarlijk links kon noemen), en tot een toonaangevende politiek wetenschapper wiens werk wijd en zijd werd geciteerd (zie Newman 2003; Blackburn 1994 voor een beknopte levensloop).

De heterodoxe-orthodoxe socialist

Een tweede reden waarom Miliband moeilijk te blameren is in de termen die de Daily Mail op hem toepaste, ligt in zijn heterodoxe, of juist orthodoxe?, socialistische standpunten. Miliband behoorde tot wat men de New Left is gaan noemen: een generatie Britse (of in Groot-Brittannië werkende) intellectuelen die vanaf 1956 een reeks vernieuwingen ontwikkelde in de socialistische theorievorming. Hij behoorde tot de oorspronkelijke redactie van de New Left Review en was daarnaast ook medewerker van zowat elk socialistisch en Marxistisch tijdschrift van toen en later. Zijn naam hoort in het lijstje van namen met E.P Thompson, John Saville, Eric Hobsbawm, Stuart Hall, Tom Nairn, Perry Anderson, Robin Blackburn en vele anderen (zie Kerry 1995).

De ruggengraat van de New Left werd gevormd door mensen die actief waren binnen de Britse Communistische Partij en/of de linkervleugel van Labour. De Sovjet-inval in Hongarije in 1956 schiep een dissidentie binnen die partijen (vooral bij de Communisten), omdat het Panzerkommunismus niet te rijmen viel met de socialistische idealen, en omdat men er na de destalinisering onder Khruschev van uit ging dat Stalinistische methoden eindelijk tot het verleden behoorden. Het verzet hiertegen schiep een ruimte voor wat ze zelf een ‘nieuwe’ linkse positie noemden: een socialisme dat zich afkeerde, praktisch zowel als theoretisch, van het Stalinisme en het neostalinisme van het Warschaupact zowel als van de reformistische en al te pragmatische politiek van het parlementaire Labour. Daarbij werd gezocht naar theoretische verdieping en vernieuwing – de ontdekking van Gramsci, bijvoorbeeld, kwam vanuit de New Left – en naar internationalisering. Wat dit laatste betreft: de New Left Review werd snel een forum voor tiersmondistische socialistische theorie waarin figuren zoals Tariq Ali aan de oppervlakte kwamen. En tenslotte bewoog de New Left zich tevens boven de grenzen van de politiek-theoretische Partikelforschung, en liet ze alle mogelijke vormen en gradaties van orthodoxie en revisionisme toe. We vinden er Ernest Mandel broederlijk naast Andre Gorz.

Miliband, die overigens nooit lid was van de Communistische partij maar wel kortstondig van Labour, kan men dan ook moeilijk model doen staan voor een Stalinistische stereotype van socialisme. Hijzelf was buitengewoon scherp en kritisch voor de regimes in Moskou en Beijing (zie bijvoorbeeld Miliband 1989) omdat hij daarin zeer verregaande afwijkingen zag van wat socialisme zou moeten zijn. Evenmin kan men hem de fouten en vergissingen van de Labourpartij aanwrijven, want hij was net de meest rabiate criticus van het parlementair socialisme zoals dat door Labour werd beoefend (Miliband 1961).

Zijn kritiek was in belde gevallen gelijklopend. Zowel het staatssocialisme van Stalin en Mao als de parlementaire en reformistische tactiek van Labour, hadden hun band met de massa’s verloren en konden op geen enkele wijze beweren dat ze de historische emanaties en vertegenwoordigers van het proletariaat waren. In allebei de gevallen werd de band tussen partij en proletariaat louter retorisch gehanteerd, terwijl de politieke praktijk aantoonde dat beide vormen van ‘socialisme’ een oligarchisch regime werden, waarin de belangen van bevoorrechte elites, niet die van het gehele volk, werden gediend.

Om het echte ‘socialisme’ in actie te zien moest men dan ook niet naar de Volksrepublieken kijken, want daar was het werkelijke socialisme simpelweg nooit ingevoerd. Om die redenen – het feit dat ze een karikatuur van socialisme aanvielen als ware het een echt socialisme – lachte Miliband ook de kritieken van mensen zoals Hayek en Schumpeter weg.

Miliband was wat dat betreft bijzonder rechtlijnig in zijn interpretaties van socialisme. Socialisme was een machtsvorm waarin de meerderheid van het volk – de arbeidende massa – de macht had genomen en via die macht een geheel nieuwe samenleving uitbouwde, die er zowel economisch als sociaal, cultureel en politiek geheel anders uit zag. Democratie zou geen dekmantel meer zijn voor de belangen van een leidende kaste, maar een emanatie van het belang van iedereen: de ware “macht bij het volk” die de semantiek van “democratie” uitmaakt. Socialistische partijen, derhalve, moesten werkelijk en wezenlijk, dus aantoonbaar, een basis hebben in, en legitimiteit ontlenen aan, het georganiseerde proletariaat. Syndicale organisaties waren daarom voor hem van groot belang, en een socialistische partij moest voor hem, concreet in Groot-Brittannië, een partij zijn die de vakbonden politiek vertegenwoordigde. De geleidelijk moeilijk wordende relatie tussen Labour en de Britse vakbonden was dan ook iets wat bij Miliband op geen genade kon rekenen. Een socialist heeft de opdracht, de plicht, om de steun van het proletariaat te verdienen en om te zetten in beleid dat de belangen van het proletariaat dient.

Compromissen in die zone van de waarheid waren onmogelijk voor Miliband, en hij was dan ook vaak heel scherp tegenover linkse denkers die onder druk van politieke verschuivingen meenden de socialistische strategie te moeten aanpassen, of die er van uit gingen dat de klassieke socialistische analyse niet langer van toepassing was op de Sovjetunie en het China van Mao (zie bijv. Miliband 1975, 1983a).

Een uitgepuurd socialisme

Om diezelfde reden verwierp hij Fukuyamas pronunciamento over het einde van het socialisme (Miliband 1992). Het ineenstorten van de Sovjetunie en z’n satellietstaten betekende op geen enkele manier het failliet van het socialisme, en evenmin kon het als bewijs dienen van de fatale zwakten van de Marxistische theorie. Geen van beide was immers effectief toegepast in de Sovjetunie evenmin als in het China van Mao. Om het eenvoudig te houden: geen van beide systemen had het socialisme als democratische samenleving gestalte kunnen geven. Dat democratische doel – centraal in het werk van Marx, zie bijvoorbeeld De Achttiende Brumaire van Louis Bonaparte – werd opzij geschoven voor een tiranniek systeem dat zich op het volk beriep maar dat volk op elke mogelijke wijze onderwierp en monddood maakte. Wat dan het kapitalistisch-democratische model betrof, datgene wat Fukuyama als het enig resterende model bezag in de dagen na de val van de Muur, dat zou steeds verder uitgehold worden door klassentegenstellingen en uiteindelijk even goed in een tiranniek systeem eindigen. Hoe verder het kapitalisme zich ontwikkelde, hoe scherper de klassentegenstellingen werden, en hoe meer de heersende klassen beroep zouden moeten doen op staatsgeweld om de sociale orde te bewaren.

Het hoofdargument in Milibands socialisme is moreel. Enkel een socialistische democratie, een democratie van gelijken waarin het algemeen belang volledig samenvalt met het particuliere belang, is in staat een rechtvaardige samenleving te garanderen waarin uitbuiting en verdrukking op welke grond ook – klasse, ras, geslacht enzovoort – uitgesloten waren. Dat soort samenleving zou niet (noteer: NIET) door een volledig publieke planeconomie in Sovjetstijl gedragen worden; neen, ze zou worden aangedreven door een

“gemengde economie, maar dan een waarin het relatieve aandeel van de publieke en de private economie uit het kapitalisme zou worden omgekeerd. In een socialistische democratie staan de voornaamste instrumenten van economische activiteit onder een of andere vorm van publieke, sociale of coöperatieve eigendom, met het hoogst mogelijke niveau van democratische participatie en controle” (1992: 112).

Ook op dit punt was hij dus heterodox precies omdat hij zo orthodox was: een planeconomie waarin elke vorm van economische activiteit door de staat wordt beheerd is, op z’n best, een apocriefe uitvinding van regimes, maar niet iets waarvoor men bij Marx uitgebreide argumenten kan vinden. ‘Planning’ was voor Miliband niets meer dan het type van overheidsregulering die de werkelijk bestaande kapitalistische economieën nu even goed kenmerkt, en waar het kapitalisme alle baat bij heeft. Een socialistische economie zou een aanzienlijke ruimte laten voor de markt, maar zou tegelijkertijd een ruimer geheel aan regulering inhouden dan nu binnen een neoliberaal kapitalisme het geval is. Die regulering zou in zijn meest wezenlijke vorm de verdrukkende en uitsluitende eigenschappen van de vrije markt moeten tegengaan: een essentieel aspect van economische activiteit zou op ieder ogenblik menswaardigheid moeten zijn. Hetzelfde gaat uiteraard ook op voor privaat eigendom. Er is geen enkele socialistische regel die privaat bezit verbiedt; waar socialisme zich tegen keert is tegen het uitbuitende en verdrukkende karakter van de accumulatie ervan. Als privaat eigendom de publieke welvaart schaadt en andere mensen ontmenselijkt, dan moet ze worden beteugeld.

Betekent socialisme dan een almachtige staat? Neen, zegt Miliband: het betekent weliswaar een staat die daadkrachtig en sterk is, maar die op elk aspect van z’n handelen gecontroleerd wordt door de civiele samenleving en het democratische systeem. De liberale vrijheden – gelijkheid voor de wet, vrijheid van meningsuiting, religie en zo voort – zijn de kern van een socialistische democratie, maar die vrijheden worden veel ernstiger genomen, uitgebreid en verdiept in vergelijking met het huidige kapitalistisch-democratische systeem. Terwijl de liberale vrijheden nu snel afglijden naar een systeem van privileges voor de enen en vrijheidsberoving voor de anderen, zal een socialistische democratie precies die klassen-dimensie van de democratie overstijgen en de beloften van de liberale staat en samenleving waarmaken.

Voor Miliband bewees de val van de Sovjetunie dan ook geen enkele wijze het failliet van het socialisme, want het ‘reëel bestaand socialisme’ was nooit uitgetest. Wat er volgens hem bewezen was, was dat tirannieke systemen uiteindelijk ten onder gaan aan hun eigen interne contradicties. Het einde van de Sovjetunie was dan ook niet, zoals Fukuyama beweerde, het einde van de geschiedenis; het was een al bij al uiterst positieve nieuwe ontwikkeling in de geschiedenis, die vanzelfsprekend simpelweg voort gaat.

Hij haatte zijn land

Dat was het socialisme dat Miliband voorstond en in honderden artikelen hartstochtelijk bepleitte. Het is een uiterst orthodox socialisme, dat enkel heterodox lijkt omdat de socialistische doctrines (zoals ze werden uitgevoerd in de Sovjetunie en China) volstrekt afweken van de socialistische theorie. Niet Miliband was derhalve een ‘revisionist’ – de ware revisionisten bevonden zich in het Kremlin en gelijkaardige cenakels, en het waren die revisionisten die door middel van de kolchozen, de goelag en de KGB een ‘socialisme’ hebben geschapen dat als historische fout de twintigste eeuw is gaan domineren.

Aan het andere uiteinde van het spectrum zag Miliband even goed een historische fout. Labour en z’n parlementair socialisme was vanaf de allereerste greep naar de macht – de regering van Ramsay MacDonald in 1924 – razendsnel in de richting van klassencollaboratie afgegleden. Dat betekent dat de socialistische regeringen even goed behoeders werden van de privileges van een aristocratie en een burgerij, die in Groot-Brittannië, meer dan elders, een schaamteloos elitair samenlevingsmodel hadden uitgebouwd. Terwijl ze de historische kans hadden op een ‘grote kuis’ in de Britse klassen-samenleving, gingen de Labour regeringen scrupuleus te werk in het in stand houden van alle fundamenteel onrechtvaardige aspecten van die samenleving. En wat de Labour politici betrof: “ter wille van het smeer likt de kat de kandeleer”. Socialistische politici wentelden zich met genoegen in de aandacht die ze kregen van de Britse high society en van het Koningshuis; ze kraaiden van plezier wanneer ze in de ridder- of adelstand werden verheven; en ze gedroegen zich als staatslui nog elitairder en arroganter dan hun conservatieve tegenhangers. Lid worden, via politieke mandaten, van de leidende klassen in Groot-Brittannië betekende voor Labour politici, vaak mensen van bescheiden komaf, een shortcut naar de traditionele Britse elites, waarin ze zich snel en graag nestelden. Miliband kon genadeloos scherp zijn (soms op het amusante af) in zijn beschrijvingen en veroordelingen daarvan.

Hij haatte dat. Hij haatte dus, inderdaad, een deel van zijn land: het deel dat bewust en onbewust de sociale en economische ongelijkheid in stand hield en zelfs opvoerde als het wezen zelf van het land; het deel waarin de aristocratie en de hogere burgerij als vanzelfsprekend gunsten aan mekaar uitdeelden; het deel waarin de sociale mobiliteit van laag naar hoog bijzonder moeilijk en traag verloopt. Hij haatte de fundamentele onrechtvaardigheid en ongelijkheid die doorheen het weefsel van de Britse samenleving liepen en lopen.

Vermits dat deel van de Britse samenleving ook het deel was van mensen zoals Lord Rothermere – een puissant rijke en reactionaire aristocraat en ondernemer – ligt het voor de hand dat deze laatste vond dat mensen zoals Miliband zijn land haatten. Dat land was echter niet het Groot-Brittannië dat Milliband voor ogen had: zijn land was een land waarin iedereen op voet van gelijkheid rechten en plichten genoot, en waarin rechtvaardigheid en billijkheid de grote wettelijke en institutionele kaders bepaalden. Miliband haatte dus het elitaire Groot-Brittannië dat werd geregeerd door zichzelf bedienende elites; hij was evenwel een vurig patriot voor wat dat andere Groot-Brittannië betrof.

Het orthodoxe karakter van Milibands socialisme is af te lezen, onder andere, uit zijn gebruik van ‘klasse’. Hij was een doorgedreven en uitmuntend klasse-analist (zie bijvoorbeeld Miliband 1983b), en terwijl evoluties in het kapitalisme diverse Marxistische en andere theoretici tot belangrijke kwalificaties van het begrip ‘klasse’ dreven (toegepast, doorgaans, op de arbeidersklasse) hield Miliband zonder verpinken vast aan het klasse-begrip en de klassenstrijd. Ook als klassen van structuur, gedragsvormen en ideologie veranderen blijven ze analytisch belangrijke begrippen. Het is dus niet omdat de arbeidersklasse het consumptiegedrag van de burgerij heeft aangenomen dat ze geen arbeidersklasse meer is, en het zelfde geld wanneer een groot deel van de arbeidersklasse uit werklozen – niet ‘arbeidende’ mensen – bestaat. Groot-Brittannië werd ten tijde van Thatcher tot een klasseloze samenleving uitgeroepen – iedereen was nu kleine zelfstandige. Voor Miliband was deze kwakkel een handig instrument om de linkerzijde te destabiliseren en de rechterzijde een nieuwe pseudo-analytische adem te geven. Onder het vernis van Thatchers middenstands-maatschappij woekerden de klassentegenstellingen echter verder en dieper dan ooit: het industriële proletariaat, mijnwerkers op kop, werd gecastreerd, haar vakbonden verpletterd; stedelijke armoede en precariaat namen een hoge vlucht, en militarisme nam samen met law and order hand om hand toe. Intussen ontstond aan razende snelheid een nieuwe rente-kapitalistische elite – de Richard Bransons en Alan Sugars van die generatie – die speculatieve rijkdommen van een nooit eerder geziene omvang wist te vergaren. Groot-Brittannië een klasseloze samenleving? Miliband zag precies het tegendeel. En hij zag tevens een nog acuter nood aan klassenanalyse, klassenmobilisatie en klassenstrijd: in een zich snel dualiserende samenleving is het opgeven van de meest potente analytische instrumenten om dualisering te beschrijven niets minder dan een vergissing van historisch formaat.

Wanneer Labour zich onder Blair tot New Labour omdoopte, de politieke invloed van de vakbonden binnen de partij beëindigde en vooral good for business wenste te zijn, dan zag Miliband daarin geen historische koerswijziging maar net continuïteit, de culminatie van een traject dat heel de twintigste eeuw omvatte. In die evolutie nam Labour stapje voor stapje afstand van haar organieke binding met een klasse, het proletariaat, een koos ze steeds meer voor een natie – het Britse middenklasse zelfbeeld. Blair greep de kans die Thatcher had geboden met beide handen aan: juist ja, er waren geen klassen meer, er waren enkel nog hardwerkende, ordelievende en vlot consumerende ‘mensen’ – Britten of, in een ander jargon, ‘cliënten’ van de overheid – die door Labour moesten bediend worden. Labour gaf de notie ‘klasse’ simpelweg op en verving haar door constructies ontworpen op de tafels van de marketingmanagers. Miliband kon er niet mee lachen. Zeker niet wanneer zijn twee zonen Ed en David enthousiaste ‘Blairites’ werden en zo een politiek steunden (en uitvoerden) die, volgens hun vader, op geen enkele manier nog met de kleur ‘rood’ kon aangeduid worden. Men kon terecht spreken van Rooie Ralph, maar niet van Rooie Ed of David.

Is socialisme goed voor jou?

In de nasleep van het debat over de Daily Mail en Miliband werd duidelijk dat de rechterzijde zich in de voet had geschoten. De redacteurs van de Daily Mail bleken zo weinig beslagen inzake de politieke geschiedenis van links dat ze precies de foute figuur als doelwit voor hun vitriool kozen: iemand die volstrekt niet, op geen enkele manier, kon worden afgeschilderd als een Beria of een Molotov. Ze kozen als doelwit iemands wiens leven en werk volkomen in het teken stond van een streven naar sociale rechtvaardigheid, gelijkheid, menswaardigheid, en tegen tirannie, uitbuiting, verdrukking en ongelijkheid. Milibands socialisme was een uitgepuurd, uiterst orthodox socialisme, dat hij nooit louter demagogisch hanteerde maar telkens weer onderbouwde met een verbluffende empirische feitenkennis. Het was niet naïef, en ook al spreekt er een romantische bevlogenheid uit zijn insistentie op de mogelijkheid van een socialistische strategie, ook in tijden waarin dit utopisch lijkt, de argumenten die hij biedt zijn telkens weer overtuigend.

In een van zijn allerlaatste publicaties herhaalde hij zijn centrale these: enkel socialisme is in staat een rechtvaardige samenleving te bouwen, en zo de beloften van het liberalisme te vervullen. Het kapitalisme heeft die beloften slechts zeer gedeeltelijk gerealiseerd: voor geprivilegieerde delen van de samenleving. Enkel socialisme zou heel de samenleving democratiseren. In die zin was socialisme deel van een oudere traditie van democratisering, maar ze was er de meest ontwikkelde tak van (Miliband 1994: 3-4). Fundamenteel conflictgeladen tegenstellingen in de samenleving – klassentegenstellingen – hebben maar twee mogelijke uitwegen: socialisme of geweld. En Miliband zag in 1994 – de tijd van de oorlog in Joegoslavië en van de genocide in Rwanda – een overdaad aan geweld, die de objectieve behoefte aan socialisme steeds groter maakte. Want enkel wanneer de fundamentele tegenstellingen geneutraliseerd kunnen worden bereiken we – en let op het woord – sociale harmonie, een samenleving waarin macht niet langer nodig was en waarin “gesocialiseerd individualisme” het civiele opvoedingsmodel uitmaakte (1994: 4). Iedereen zou alle individuele rechten hebben, net omdat eenieder ‘geïntegreerd’ zou zijn, ten volle geïntegreerd, in een samenleving van gelijken. Miliband beklemtoonde de nood, de behoefte aan dit streven en doel, en benadrukte dat dit streven en doel precies het beste in de mens zou vrijmaken. Vermits dit doel nog nooit bereikt was, en de geschiedenis dus nog lang niet ten einde liep, moest dit streven voortgezet worden.

Vandaag lijkt het doel verder dan ooit weg. We leven in een neoliberale orde die elk aspect van de samenleving doordringt en onderwerpt aan een economische logica die waarde verwart met prijs. De intellectuele afstand tussen het socialisme dat Miliband bepleitte, en de wereld waarin we nu leven, is immens. Maar het debat over Milliband had een merkwaardig gevolg: duizenden mensen kregen plots opnieuw belangstelling voor wat hij te zeggen had. De verweerde boeken van Miliband zijn aan een nieuw leven begonnen, en wie ze leest ontdekt er een socialisme dat fundamenteel afwijkt van de standaard-verbeelding die doorheen de laatste twee decennia over dit thema is gaan heersen. We ontdekken er een samenlevingsmodel en een mensbeeld waarin velen, zeer velen, zich graag herkennen, en dat velen, zeer velen, het nastreven waard vinden. Zoals eerder gezegd: door te schieten op Miliband – net hij – schoot de Britse reactionaire pers zichzelf in de voet.

De herontdekking van dit socialisme is dus niet enkel nodig – Miliband zou dit vast beklemtonen – maar tevens mogelijk. Al was het maar om de fenomenale en catastrofale ideeën-armoede die thans heerst te compenseren met een reeks gedachten en methoden die nu meer dan ooit als vreemd en afwijkend zullen ervaren worden, maar die een kritisch onderzoek moeiteloos zullen doorstaan. Laat me meteen ook aanstippen dat wie bij Milliband goede en nuttige standpunten vindt best nog wat verder kan lezen. Er is buitengewoon veel nuttig werk, vol uiterst precieze voorstellen en analyses, dat bestofte boekenrekken vult, met namen die velen nu vergeten zijn. Want als de socialistische traditie een hoofdkenmerk had, dan was het de nadruk op de grondige analyse van de huidige toestand – een analyse die elke vorm van actie vooraf moest gaan, omdat ze elke vorm van actie mogelijk dan wel onmogelijk maakte. Het was analyse die mensen mobiliseerde en tot actie bracht. In een tijd waarin velen staan te trappelen om in actie te schieten maar vaak machteloosheid ervaren als het erop aankomt te verklaren waarvoor of waartegen, en waarom, men actie voert – in die tijd is dit beginsel van bijzonder groot belang.

Om bij te lezen

Blackburn, Robin, 1994, “Ralph Milliband 1924-1994”. New Left Review 206: 15-22

Kenny, Michael, 1995, The First New Left: British Intellectuals After Stalin. London: Lawrence & Wishart

Miliband, Ralph, 1961, Parliamentary Socialism: A Study in the Politics of Labour. London: Merlin Press

Miliband, Ralph, 1975, “Bettelheim and Soviet experience”. New Left Review 91: 57-66.

Miliband, Ralph, 1983a, “The new revisionism in Britain”. New Left Review 150: 5-26.

Miliband, Ralph, 1983b, “State power and class interests”. New Left Review 138: 57-66.

Miliband, Ralph, 1989, “Reflections on the crisis of Communist regimes”. New Left Review 177: 27-36.

Miliband, Ralph, 1992, “Fukuyama and the socialist alternative”. New Left Review 193: 108-113.

Newman, Michael, 2003, Ralph Milliband and the Politics of the New Left. London: Monthly Review Press

Nuttige links over het debat

http://www.theguardian.com/commentisfree/2013/oct/03/ralph-miliband-british-values-daily-mail

http://pjmedia.com/ronradosh/2013/10/12/how-david-horowitz-revealed-the-truth-about-ralph-milibands-legacy-what-it-should-teach-the-british-left/

http://www.telegraph.co.uk/news/politics/ed-miliband/10356298/Memo-to-Ed-Miliband-My-Marxist-father-was-wrong-too.html

http://www.counterpunch.org/2013/10/18/ralph-miliband/print

 

Jan Blommaert is een Belgisch sociolinguïst en taalkundig antropoloog en werkzaam aan de Tilburg University als hoogleraar taal, cultuur en globalisering en directeur van het Babylon Centrum voor de studie van superdiversiteit.

TENK is een voertuig voor kritiek en analyse. Het biedt ruimte voor een overtuigd linkse blik op onze wereld, en wil zo bijdragen aan een nieuwe politieke debatcultuur. Want linkse politiek is verwaterd. Als een aangelengde limonade zonder kleur, geur of smaak is het de laatste jaren steeds verder verdund met wisselende doses technocratie, pragmatisme en centrisme.

Nog geen reacties.

Reageer